Reactie over toekomst Zeeuwse atletiek
Volgende maand is er een symposium over de toekomst van de Zeeuwse atletiek, mede georganiseerd door Jan Roose, over wie het hier al vaker is gegaan als organisator van lopen en crossen. Ik stuurde Jan onderstaande gedachten, onder andere reagerend op zijn blogposts:
Als ik het Zeeuwse hardlopen observeer, valt me bepaald niet op dat er niet hard genoeg gelopen wordt. Ik zeg het maar even lomp: de top interesseert me geen lor. Ik heb er niets aan als er ergens een Zeeuws record gelopen wordt. Knap, hoor, maar ik vind het knapper om zó te sporten dat je het over, zeg, veertig jaar ook nog met plezier doet. Er is immers best een spanningsveld tussen presteren op de korte en op de lange termijn.
Wat ik wél leuk vind, is om een streekgenoot op TV goed te zien presteren – en dat is het geval in de vorm van Shirin van Anrooij. Zij is nu veldrijder/wielrenner, maar heeft in haar jeugd bij AV’56 gelopen, en dat heeft haar duidelijk geen windeieren gelegd. Zo slecht is het in Zeeland dus niet gesteld met het afleveren van wereldtoppers. En dat gebeurt niet zo vaak, dat is nogal logisch.
Wat me verder opvalt, is dat er in Zeeland heel veel loopjes zijn, en dat bij een groot deel daarvan juist de achterhoede ontbreekt – een groep die er elders wel is. Als ik meedoe aan bijvoorbeeld een internationale Parkrun, een van de Vestinglopen van Epic Sports en de grote evenementen van Golazo, eindig ik halverwege het veld. In Zeeland eindig ik steevast in de achterhoede. Aan de crossen in het Zeeuwse Crosscircuit word ik zelfs op achterstand laatste – die doe ik dus niet meer. Waar is de groep Zeeuwse lopers achter mij? Die zie ik alleen bij de randevenementen van de Kustmarathon.
Dat er gemiddeld langzamer gelopen wordt, de hardloopbeleving verandert en dat men niet meer lid wil worden van een sportvereniging (in het algemeen en de jeugd in het bijzonder), dat zijn geen Zeeuwse fenomenen, dat speelt landelijk. Ik zou zeggen: tap daar kennis van af over wat daaraan wél te beïnvloeden is.
Wat ook landelijk speelt en dus ook in Zeeland, is bewegingsarmoe – van jong tot oud. Veel belangrijker dan hoe hard er aan de top gelopen wordt, vind ik dat zo veel mogelijk mensen van alle leeftijden, sexen en achtergronden met plezier kunnen lopen of een andere sport beoefenen. Drempels opwerpen voor meedoen aan loopjes of lid worden van een atletiekvereniging lijkt me het paard in dat opzicht achter de wagen spannen. Zelfs als dat betere Zeeuwse tijden oplevert, vind ik dat een ongewenste ontwikkeling.
In mijn waarneming is er tot slot nog een wereld te winnen in de vorm van beter trainen: goed gericht, geïndividualiseerd, gedoseerd. Mijn allereerste trainer zei het ooit: er zijn twee soorten sporters, de ene doet te veel, de ander te weinig. Technologie speelt daarin dan ook een dubbelrol: waar de een zich door de hartslagmeter onterecht laat dempen, laat de andere zich door de tijden op het horlogeschermpje over de kling jagen. Ook dat is echter geen typisch Zeeuws probleem.









Meteen de daad bij 






