Maandarchieven: juli 2018

Leuk boek, maar niet alles

Cover boekIn Alles wat je wilt weten over hardlopen gaat wetenschapsjournalist en hardloper Mariska van Sprundel op zoek naar een verklaring voor en oplossing van haar vele blessures. In het verslag van die zoektocht blaast ze vooral een heleboel hardloopmythes op: nee, dure schoenen helpen niet, op blote voeten lopen is niet heilig, een genetische analyse geeft weinig houvast, er is geen wonderdieet, en ja, de mens is geschikt om hard te lopen, de een wat meer dan de ander en helemaal ideaal is onze bouw er niet voor (onze voeten vooral niet), maar vooral lang en rustig lopen hebben we in onze evolutie wel geleerd. Ze maakt voor de argumenten gebruik van onderzoek en van gesprekken met onderzoekers.  

Er passeert zo een heleboel interessants de revue, maar ik zie ook twee gapende hiaten, twee missers zowel gezien de titel van het boek (alles) als Van Sprundels zoektocht:

  1. Trainingsaanpak. Dat zou eerlijk gezegd het eerste zijn waar ik naar zou kijken bij frequent blessureleed, maar het gaat er in het boek niet over. Veel blessures komen voort uit te veel, te lang, te vaak, te hard trainen. Van Sprundel schrijft ergens dat uit een inspanningstest blijkt dat ze vooral goed loopt rond en boven haar omslagpunt. Voor mij als trainer rinkelen dan meteen alle alarmbellen: die traint te intensief, legt onvoldoende basis aan met rustige duur. Je ’trainingsbouwwerk’ hoort in balans te zijn, en bij blessuregevoeligheid én marathonambities moeten juist de lagere intensiteiten goed ontwikkeld zijn.
    Dus ik zou benieuwd zijn naar hoe ze traint. Dat is bij een atletiekvereniging, en dat stelt me op basis van mijn eigen ervaringen niet gerust (ik ben sinds een jaar lid-af, had ik dat al eens geblogd eigenlijk? Belangrijkste reden was onvrede over de trainingsaanpak.)
    Maar trainingsaanpak zou ook prima passen in de lijn van haar betoog. Ga maar eens na wat er klopt van de claims van de diverse benaderingen, bijvoorbeeld van de souplessemethode, de marathonrevolutie, gepolariseerd trainen en noem maar op. Wat zegt de wetenschap over de ideale trainingsaanpak? (Volgens mij trouwens: dat die per individu verschilt – daar kun je dus ook wat mooie mythes mee opblazen: de heilige trainingsgraal bestaat ook al niet). 
  2. Persoonlijkheid. Er gaat wel een hoofdstuk over de gunstige invloed van hardlopen op de psyche (zoals bij runningtherapie), maar niet over het omgekeerde: de invloed van psyche op hardlopen, en op blessuregevoeligheid. Er is bijvoorbeeld recent onderzoek waaruit blijkt dat perfectionisten vaker shin splints oplopen. De verklaring daarvoor loopt waarschijnlijk via punt 1: de trainingsaanpak. Té toegewijd trainen bestaat ook. Gezond trainen is flexibel. Voor perfectionistische mensen voelt dat als de kantjes ervan aflopen. Ja, en dat mag dus best! 
    Van Sprundel schrijft in het dankwoord van het boek dat ze tijdens het schrijven ervan RSI heeft gekregen. Gunt ze zichzelf te weinig rust? Pikt ze onvoldoende de eerste signalen op uit haar lichaam van dreigende grensoverschrijding? Ik ken haar niet, ik heb geen idee. Maar zoiets zou zeker kunnen.

Dus: leuk boek, ik houd wel van het relativeren van mythes als tegenkracht tegen commercie en hypes. Maar jammer van die valse belofte in de titel. 

Door |2018-07-30T18:36:16+02:0030 juli 2018|Boeken, Loop|0 Reacties

Maastunneltijdrit met nieuw horloge

Afgelopen maandag heb ik meegedaan aan een heel leuk Rotterdams evenement: de Maastunneltijdrit. De Maastunnel wordt gerenoveerd, ze zijn net klaar met de eerste buis, en voordat die dinsdag werd opengesteld voor auto’s mochten fietsers en voetgangers erdoorheen, de fietsers in de vorm van een tijdrit. Over 1,4 kilometer, ik heb er welgeteld 2 minuten en 21 seconden over gedaan.

Best wel pittig trouwens nog, want net als je doodgaat, liep het omhoog, de tunnel uit. En praktisch zonder warming-up, want het was nogal lang wachten: voor die dikke 2 minuten ben ik vier uur van huis geweest! 

Rijnmond had er een leuk item over, heel herkenbaar. Op het filmpje is te zien dat de deelnemers heel divers waren, en dat vind ik altijd de fijnste evenementen. Het was dan ook heel gemoedelijk en gezellig. Het kostte bovendien geen drol: voor € 5 kreeg je ook nog een reep en een consumptie. Daarvoor was het prima georganiseerd, onder andere met een groot scherm waarop te zien was hoe de fietsers de tunnel uit kwamen. Hier kom ik:

Ik op groot scherm

En hier sta ik een foto te maken van hoe manlief – in Feyenoord-wielershirt – eraan komt:

Ik op rug foto aan het maken van scherm met Henk in Feyenoordshirt

Beide foto’s zijn gemaakt door supporter Nicole, die zelf door fysiek malheur niet mee kon doen. Haar foto’s zijn beter gelukt dan de mijne!

Manlief was trouwens 3 seconden sneller dan ik, maar ik werd wel 3e, van 10 vrouwen in de leeftijdscategorie 40-60. In triathlons lukt zoiets me ook wel, maar ik had geen idee hoe dit veld zou zijn. Bij de jonge mannen knettersnel trouwens. En misschien was ik wel sneller geweest op mijn triathlonfiets, dat kon ik slecht inschatten. Op de gewone racefiets kan ik makkelijker staan.

Maar bovenal was het leuk dus, en als ik later met de auto door die buis rijd, zal ik er altijd aan denken. Zo werkt het ook bij het stuk A4 bij Steenbergen, waarop ik heb gefietst en hardgelopen toen het af maar nog niet open was.

Ik heb alleen helaas geen goeie vermogensmeting kunnen doen van mijn maximale inspanning. De reden daarvoor is erg vervelend: er is vorige week bij ons ingebroken. Daarbij zijn van ons allebei de sporthorloges gestolen. We hebben ook allebei gauw een nieuwe gekocht, hier op de foto ligt het mijne voor het eerst te laden.

Zeegroen horloge aan opladerDaar ben ik op zich ook wel blij mee (mooi kleurtje ook, hè?), alleen lukt het tot nu toe nog niet om de vermogensmeter er goed aan te koppelen: hij doet wel iets, ik krijg waardes, maar ik kan hem niet calibreren en de vermogens die hij aangeeft, liggen veel te hoog – Tom Dumoulin zou er jaloers op zijn. Wordt aan gewerkt, maar vervelend om op die manier nog met de nasleep van de inbraak bezig te moeten zijn, en het is niet het enige natuurlijk. 

Bij wat er gestolen is, was één ding van voor mij grote emotionele waarde: de rugzak van mijn Ironman, te zien hier links op de foto van kort na die grote dag:

2016_08_31_0405

Die had ik in gebruik als zwemtas, dus hij stond voor het grijpen. De zwemspullen zijn eruit gegooid en de tas is gebruikt als draagtas – duidelijk te zien op de beelden die we hebben van de dieven (de buren hebben een beveiligingscamera). Dat is wel een raar gezicht, moet ik zeggen. Ik heb de Ironmanorganisatie gemaild en ik krijg een nieuwe tas, van Vichy van dit jaar, daar ben ik erg blij mee. 

De inbraak heeft veel tijd, energie en ruimte in mijn hoofd gekost de afgelopen week. Niet optimaal om te trainen ook. Vast niet toevallig heb ik net nu ook een beetje een pijntje, aan een hiel. Dan was zo’n verzetje als maandag wel heel leuk natuurlijk! 

 

Door |2018-07-25T15:51:12+02:0025 juli 2018|Fiets|0 Reacties

Uit de gevangenis: vrouw & fit

Cover boekJaren geleden hoorde ik in de sportschool een vrouw iets zeggen wat diepe indruk op me heeft gemaakt. Het was er één van een groepje vrouwen van ongeveer mijn leeftijd, die na het sporten in de kleedkamer zaten uit te puffen – en te klagen. Ze hadden het over hoe naar het is om altijd maar te moeten diëten en te moeten sporten, om de kilo’s in bedwang te houden. Er viel een stilte, en daarna zei er een: “Ach ja, we hebben levenslang”.

Het was geen grapje, dat kon ik merken aan de reactie van de andere vrouwen. Ik stond aan de grond genageld.

Ik denk dat er heel veel vrouwen zijn die datzelfde levenslang hebben. En wat zou ik graag willen dat die vrouwen uit die gevangenis bevrijd worden. Dat ze zichzelf uit die gevangenis bevrijden. Dat ze de stap kunnen zetten naar vertrouwen op en genieten van wat hun lijf allemaal doet en kan, in plaats van het te veroordelen om hoe het eruit ziet.

Samantha Brennan en Tracy Isaacs hebben die stap gezet, en ze schreven er een boek over: Fit at mid-life. Dat vind ik nog niet zo aansprekende titel, maar de ondertitel wel: a feminist fitness journey. Feminisme en fitheid, ja, sinds die levenslang-opmerking weet ik zeker dat sport een feministisch onderwerp is.

Via-via belandde ik op het weblog dat ten grondslag aan het boek, ‘Fit is a feminist issue‘ (daarin echoot een feministische klassieker), en toen werd ik nog enthousiaster: de schrijfsters namen zich op hun 48e samen voor om op hun 50e de fitste versie van zichzelf te zijn. Zo van: weg met diëten en sporten voor de slanke lijn, het gaat om fitheid.

En om lol, dat ook – jemig, kan dat, schrijven over sport en vrouwen vanuit het perspectief van plezier? Dat is echt zeldzaam!

Oja, en Brennan en Isaacs zijn ook nog eens filosofen en actief op het gebied van vrouwenstudies. Nou…

Met torenhoge verwachtingen ging ik het boek lezen. Het beschaamde die niet, het werd zelfs eigenlijk nog leuker dan ik had verwacht toen bleek dat Isaacs die fitste versie van zichzelf realiseert in de vorm van… triathlon! Ze maakt kennis met die sport bij een vrouwentriathlon en dat evenement betekent veel voor haar: zo kan het dus ook, sporten. Ze volbrengt een jaar later op haar 50e een Olympische afstand.

Een boel herkenning dus, en soms is het ineens ook heel anders, zoals haar worsteling met het fietsen, haar slechtste onderdeel. Brennan en Isaacs zijn Canadezen, ja, dan kan fietsen een exotische bezigheid zijn.

Het boek gaat trouwens niet alleen over triathlon, er komen een boel verschillende sporten aan bod, waaronder ook aikido, cross-fit en yoga.

Ik schrijf niet in mijn boeken, maar anders had ik regelmatig ‘ja!’ in de kantlijn geschreven. Met instemming las ik over allerlei thema’s die mij ook al jaren bezighouden, maar waar het weinig over gaat. Over hoe sport bij vrouwen altijd in verband gebracht wordt met de slanke lijn, calorieën verbranden en het uiterlijk, en niet met presteren of plezier. Over hoe vrouwen leren om door de ogen van een buitenstaander naar hun lichaam te kijken, in plaats van het te ervaren. Over hoe treurig het is dat de relatie van vrouwen met hun lichaam vooral gekenmerkt wordt door schaamte en haat (vanwege gewicht en uiterlijk), en hoe zeer dat hun kracht en plezier ondermijnt. Over dat voldoen aan het schoonheidsideaal niet wil zeggen dat je dan gezond bent (want: vaak te mager en ondervoed). Over hoe beeldvorming van vrouwen in de sport hun kracht subtiel ondermijnt, al is het maar omdat ze er óók altijd goed of schattig uit moeten zien (roze, rokjes, blote buiken). Over hoe moeilijk voor veel vrouwen presteren en competitie is, terwijl daar juist veel kracht en lol uit te halen is – als het niet zozeer gaat om winnen maar om zelf beter worden.

Nouja, en noem maar op.

De hoofdstukken in het boek wisselen af tussen beschouwing en persoonlijk verslag. Zo lezen we dus over hoe het de auteurs vergaat in de twee jaar van hun streven. Dat is niet alleen maar rozegeur en maneschijn – het gaat ook over blessures, verdrietige familieomstandigheden, schipperen met tijd, gezin en werk, en moeilijke keuzes, want je kan niet alles. De meer beschouwende stukken houden het midden tussen een feministisch betoog en praktische adviezen: hoe word je fit? Het is goed leesbaar allemaal.

Twee inzichten vond ik in het bijzonder interessant:

  • De beide vrouwen konden de stap van sporten voor de slanke lijn naar sporten voor fitheid en plezier zetten door te accepteren dat diëten een heilloze weg is (p. 74: ‘The Difficult Truth: Diets Don’t Work’). Ze moesten dus onder ogen zien dat nog een dieet en nog een sport- en eetaanpak waarin vetpercentage centraal staat geen zin had. Het deed mij denken aan de A van ACT: volledige acceptatie dat wat je tot nu toe gedaan hebt, je niet helpt – je levenslang geeft. Eerst is dat heel ongewis, daarna komt er ruimte voor iets anders; dat breekt de gevangenisdeuren open.
  • Het boek gaat in op het verschil tussen compartimentaliseren en integreren. Dat zit hem in de plaats die sport inneemt in je leven: is die apart, of een onderdeel van de dagelijkse gang van zaken? Compartimentalisten gaan met de auto naar de sportschool om daar op een hometrainer te gaan zitten. Sport is voor hen iets met een aparte plek en bijvoorbeeld ook aparte kleren. Integrationisten zeggen niet aan sport te doen, maar ondertussen doen ze alles op de fiets of te voet en zijn ze daardoor zo fit als een hoentje. Moderne maatschappijen maken het integrationisten niet zo makkelijk: bewegen is steeds meer naar de uithoeken van ons leven verdrongen. Maar om voldoende te bewegen, is integreren essentieel. Alleen een uurtje sportschool af en toe, en verder alleen maar zitten, is nog steeds maar heel weinig beweging.

Het boek smaakt naar meer in de zin dat het bij mij vragen oproept waarover ik graag in discussie zou gaan. Ik ga die vragen in het Engels vertalen en dan aan de auteurs toesturen, wie weet wat dat nog oplevert. Dit zijn ze:

  • Moet je niet oppassen dat je vrouwen weer een nieuw ideaalmodel voorspiegelt? Eerst ‘moesten’ ze sporten om slank te blijven, nu ‘moeten’ ze sporten om fit te zijn en te blijven, tot op hoge leeftijd? Weer een nieuwe norm?
    Ik vind fitheid als ideaal weliswaar nastrevenswaardiger dan een op het uiterlijk gericht ideaal: als je fit bent en blijft, kun je langer het leven lijden dat je wilt lijden. Maar ik vind toch ook dat het pure plezier nog onvoldoende aandacht krijgt in het boek. Of je wel fit blijft, is nogal ongewis: ja, sporten maakt fitter, maar je kan nog steeds volgende week omvallen. Er zou wat mij betreft meer nadruk mogen liggen op korte-termijnplezier, zoals bijvoorbeeld hoe lekker je kan denken tijdens het sporten, hoe leuk het is om progressie te boeken, en hoe zeer je wijden aan een trainingsregime je leven structureert.
  • In het verlengde van het vorige punt: legt het boek de lat niet te hoog? Zo zullen veel vrouwen het ervaren. Niet zozeer qua prestatie, die vind ik nogal meevallen – Isaacs is een uur langzamer dan ik op de Olympische afstand. Maar wel qua tijd die ze aan sporten besteden. Beide vrouwen geven overzichten van wat ze doe in een week, zonder uren erbij, wel vaak met twee sportmomenten op een dag. Ik schrik daar niet van, zeker niet omdat ze ‘wandelen met de hond’ en ‘naar het werk fietsen’ ook meetellen, maar voor veel vrouwen ziet dat er ongetwijfeld onrealistisch en onhaalbaar uit. Net zo onrealistisch en onhaalbaar als de platte buik, zal ik maar zeggen. Weer iets om moedeloos van te worden? 
  • Het boek gaat gezien de leeftijd van de auteurs frappant weinig over de overgang. Het gaat er twee keer over: in het kader van gewichtsbeheersing (over dat veel vrouwen in die jaren aankomen), en Isaacs wordt precies voor aanvang van een triathlon ongesteld, nadat ze dat al anderhalf jaar niet meer was geweest (zoiets heb ik vaker gehoord, en ook ik heb de ervaring dat het frappant vaak op onhandige sportmomenten begint). Het gaat niet over de hormonale kermis, toenemende blessuregevoeligheid en last van spieren en gewrichten, slecht slapen, een schommelend prestatieniveau, of over hoe je je er zo beroerd van kan voelen dat je niet meer kunt sporten. Het gaat al helemaal niet over hoe er in sommige overgangskringen wordt gepleit tégen sporten in de overgang (zie hier, maar ook de overgansconsulentes die ik raadpleegde vonden prestatiegericht sporten maar niks). Want, zo gaat de redenering, sporten is stress en als je nou tegen één ding niet kunt in deze levensfase, is het stress, dus: niet sporten. Speelt dat minder in Canada? Slikken ze daar meer hormonen? Is de overgang nog meer taboe?
  • Wat als je sporten nou echt niet leuk vindt? Ik vind dat de auteurs daar te makkelijk overheen stappen. Hun redenatie is: “Écht niet? Heb je echt al van alles geprobeerd?” Volgens hen zit er altijd wel wat tussen wat iemand wél leuk vindt. Dat grondig nagaa is inderdaad een goede eerste stap, want te veel vrouwen denken bij sporten alleen aan de sportschool en misschien nog aan hardlopen, maar er is veel meer.
    Maar toch… ik geloof dat bewegen een diep ingebakken behoefte is van elk menselijk lichaam. Maar ik denk ook dat die behoefte bij sommige vrouwen zo ver weggestopt is dat die onbereikbaar geworden is, onder andere door die zelf- en lichaamshaat en te veel alleen maar ‘moeten’ sporten. Of misschien door andere trauma’s – zoals ik aan gym op school heb overgehouden dat ik nooit meer zal volleyballen en ik ook iemand ken die heel veel beweegt maar afhaakt zodra er iets gemeten word (tijd of afstand). Voor haar en voor mij zijn er nog genoeg alternatieven, maar het kan verder zijn gegaan en dan blijft er op een gegeven ogenblik niks meer over wat leuk is. Nouja, niet zomaar – het zou therapie vergen om oud zeer op te ruimen en daaronder de beweeg-lol weer terug te vinden.

Nou, een heel verhaal – dit boek is zo veel aandacht beslist waard! Het heeft mij scherper gemaakt: ik las het al even geleden en het is me sindsdien al een paar keer opgevallen hoe de omroeper bij een loop of triathlon anders praat over vrouwen dan over mannen. Een hardloopster werd door eentje een ‘charmante verschijning’ genoemd. Dat zijn dus die ondermijnende dingen, hè: je mag wel lopen, als vrouw, als je maar een charmante verschijning blijft. Mannen hoeven dat niet. Die mogen gewoon presteren. Fit is definitely een feminist issue.

 

Door |2018-07-19T17:28:07+02:0019 juli 2018|Boeken, Triathlon algemeen, Vrouwensport|1 Reactie

Nieuw speeltje: vermogensmeter

Ik heb vanmiddag voor het eerst gefietst met een vermogensmeter! Ik heb ‘m gister gekocht, ik wilde dat al een hele tijd, maar het is een fikse uitgave en ik had die eerst uitgesteld tot na onze reis van afgelopen winter – die betekende immers vier maanden niets verdienen en wel veel uitgeven. De kosten waren meegevallen, maar toen kwam er nog het akkefietje bij de van de total-loss-fiets, en het vervangen daarvan had prioriteit. Maar de zaken liepen de afgelopen maanden zo goed dat ik twee weken terug dacht: vooruit, ik doe het!

Dus ben ik gister naar TriPro gegaan, heb daar een Powertap PS1 S vermogensmeter gekocht (enkelzijdig – het linkerpedaal meet en vermenigvuldigt dat met twee), in een aardige aanbieding. Vanmiddag heb ik ‘m geïnstalleerd; je moet goed kijken om te zien dat het geen gewoon pedaal is:

Er horen ook nieuwe plaatjes bij, en daarvoor was ik helemaal naar Hilversum (nouja, ik was al in Amsterdam hoor), want die moesten op de goede plek terechtkomen, inclusief het ene wigje dat mijn scheve knie in het gareel houdt, ooit geadviseerd door Jeroen van TriRun en een succes (het groene dingetje):

Vanmiddag heb ik alles probleemloos geïnstalleerd: de nieuwe pedalen gemonteerd en de vermogensmeter gekoppeld aan m’n Suunto. Het was wel even een kippenvelmomentje toen die ineens pwr en w aangaf – dat blijkt-ie ook zomaar te kunnen:

Horloge met 'pwr' in beeldDaar staan nog streepjes, maar toen ik ging fietsen, jawel hoor, getallen! Verrassend: hogere dan ik verwacht had op basis van mijn maximaaltesten. En nu kijken hoe die zich gaan ontwikkelen. 

Het nut van een vermogensmeter is dat je op de fiets zo precies kunt zien wat je ‘output’ is. Ik trainde altijd op ‘input’: hartslag. Die met nogal wat vertraging registreert (als je op enig moment maximaal gas geeft, bereikt je hartslag pas na verloop van tijd het bijbehorende maximum) en afhankelijk is van allerlei interne en externe variabelen, zoals vermoeidheid en kou. Op vermogen kun je preciezer trainen, en op een andere manier (uitleg) – die overigens niet zaligmakend is, want het zijn ook getalletjes waar je je te zeer op kunt blindstaren, maar dat terzijde. 

Ik train al sinds 2001 gericht voor het fietsen, en in het begin waren er nog helemaal geen vermogensmeters. Ik heb me altijd kunnen redden zonder en vond het dus ook eerst niet zo nodig ervoor zo diep in de buidel te tasten. Maar gezien mijn activiteiten als trainingsbegeleider vond ik vorig jaar al dat ik de theoretische kennis die ik heb over trainen op vermogen moest combineren met eigen ervaringen ermee. Dat is nog steeds een belangrijke reden om het nu toch te willen.

Daar is bijgekomen dat ik dit voorjaar een mislukte maximaaltest heb gedaan, waaruit ik alleen maar kon concluderen dat ik net die dag m’n dag niet had – zo’n verder onverklaarbare -10%-dag waarvan ik de overgangshormonen al een paar jaar de schuld geef. Ik realiseerde me daardoor dat ik beter zelf de vinger aan de pols wil kunnen houden van mijn progressie (of het ontbreken daarvan). Dat kan nauwelijks zonder vermogensmeter. Snelheid is immers bij fietsen te afhankelijk van externe factoren als wind, wegdek, kleding e.d. Door testjes te rijden en daarvan een vergelijking te maken van hartslag met geleverd vermogen kan ik nu zelf kijken hoe het daarmee gaat – progressie wil zeggen dat je bij dezelfde hartslag een hoger vermogen kan trappen, of hetzelfde vermogen bij een lagere hartslag. 

Er kwamen nog twee andere dingen bij:

  • Ik moest sowieso nieuwe pedalen. Ik reed nog op stokoude klassieke Look-pedalen. Die zijn al jaren uit de handel, dus voor mijn triathlonfiets heb ik al een beroep moeten doen op de tweedehands markt. Maar nu kan ik ook de schoenplaatjes niet meer vinden, en mijn laatste paar was behoorlijk afgetrapt. De vermogensmeterplaatjes zijn compatibel met Look Keo, en dus heb ik daar ook een paar van gekocht voor op de racefiets. Nu heb ik dus twee paar nutteloze oude pedalen, links de ‘originele’ uit 2002 – en nieuwe:
  • Ik ben net begonnen met een wat andere trainingsaanpak. De afgelopen jaren trainde ik voor het fietsen maar twee keer per week, gepolariseerd: één lange, rustige duurtraining en één keer spinning, op hartslag, met als doel een paar keer boven mijn omslagpunt komen. Ik ben spinning echter een beetje zat, zeker het binnen fietsen in deze goddelijke zomer, dus ik wil buiten en gerichter intensief trainen. Dat moet ik nog een beetje leren: ik krijg mijn hartslag nog niet hoog genoeg. Dit seizoen is daar echter een prima leerschoolperiode voor, en een vermogensmeter kan me helpen, vooral ook gezien die af en toe nogal wisselende vorm. 
    Dit seizoen is sowieso wat experimenteel. Mijn triathlonambities worden beperkt doordat ik het lopen rustig aan het opbouwen ben (gaat prima), en reiken niet verder dan straks in september nog twee keer een kwart. Ik heb nu acht qua triathlon wedstrijdloze weken waarin ik veel tijd heb om te trainen (werk is zomer-rustig), en dat maakt experimenteren mogelijk. Ik heb een ambitieus trainingsplan geschreven waar het zwemmen nog ingevuld gaat worden – dinsdag heb ik daarvoor afgesproken met Roy van Zwemanalyse. Met een schuin oog kijk ik namelijk alweer naar volgend seizoen – dan wil ik één of twee halve doen. Deze zomer gebruik ik om te onderzoeken hoe ik dat het beste aan kan pakken: hetzelfde als de vorige keer of kan het beter? 

Voor nu is het ook gewoon leuk om te zien wat de wattages doen, naar boven en beneden, in mee- en tegenwind, als ik schakel, enzovoort. Wanneer mag ik er weer mee spelen?

 

Door |2018-07-13T18:22:17+02:0013 juli 2018|Fiets, Trainer|1 Reactie

IJzer anders

Ik heb nog wat moeite het in mijn zelfbeeld in te passen, maarre… sinds vandaag slik ik op doktersrecept ijzer bij:

Verpakking ijzersupplementHoe zit dat? Ik heb altijd een prima Hb gehad, ondanks dat ik al heel lang drie dingen combineerde die niet direct heel gunstig zijn voor je ijzerhuishouding:

  • Ik eet vegetarisch – mijn voeding is prima trouwens, nouja, er kunnen altijd wat puntjes op de i, maar ik eet royaal van de plantaardige leveranciers van ijzer, zoals groene bladgroentes, noten, peulvruchten en volkoren granen.
  • Ik ben bloeddonor. Daardoor weet ik ook dat mijn Hb eigenlijk altijd prima is. Voordat ik zo veel duursport ging doen, was het zelfs opvallend hoog, begreep ik. 
  • Ik ben duursporter – wat precies de oorzaak ervan is dat duursporters een lager Hb hebben dan anderen, schijnt nog niet helemaal duidelijk te zijn, maar het is wel zo, en vooral veel vrouwelijke duursporters hebben daarom problemen met het op niveau houden van hun ijzer. 

De laatste jaren is daar nog bij gekomen dat ik eerst, toen de hormonale veranderingen begonnen, een paar jaar heel heftig ongesteld ben geweest. Fysiek had ik er geen last van, onhandig was het wel. Het is nu alweer een tijdje gelukkig wat minder heftig, maar sinds november was de duur van m’n langste cyclus precies 4 weken, en meestal was het korter: 3 weken, één keer zelfs maar 2. Ook niet heel veel last van, maar onhandig is het wel weer, en ik vind het zo langzamerhand wel eens welletjes geweest – ik ben al boven de gemiddelde menopauze-leeftijd, maar het einde is nog niet in zicht.

Dus de afgelopen jaren was ik eerst heel heftig ongesteld, en sinds de herfst vooral heel vaak. En daardoor wordt het toch wat penibeler met dat ijzer. Vorig jaar had ik dat al even gemerkt, toen zat er een keer maar een paar dagen tussen twee menstruaties en toen had ik korte tijd wat symptomen van bloedarmoede – wat leidde tot m’n DNF bij de triathlon in Krimpen toen.

Zulke symptomen heb ik nu niet, ik voel me prima, maar ik heb ook sinds vorig voorjaar af en toe iets anders geks: hartkloppingen. Daarvoor ging ik nu eens naar de dokter.

Ik had vorig jaar natuurlijk gegoogled en begrepen dat hartkloppingen vaker voorkomen in de overgang en dat het niks ernstigs is als je je er verder niet slecht (benauwd, pijn) bij voelt. Ook niet als het tijdens het sporten gebeurt – ik heb een enkele keer zo’n kloppinkje kunnen betrappen met m’n hartslagmeter, zoals hier tijdens een spinningles (die andere twee piekjes gaan tot net boven  m’n omslagpunt – 167 is op zich geen extreem hoge hartslag, maar voor mij dus wel):

UitschieterIk maakte me er dus niet zo’n zorgen over, maar ik heb ondertussen wel twee keer gehad dat mijn hartslag urenlang onregelmatig was, en daarbij voelde ik me wel moe en futloos. De eerste keer was eind januari in Nieuw-Zeeland, en toen ik het een paar weken terug weer een keer had, ben ik toch maar eens naar de dokter gegaan. 

Die vond het ook niet heel alarmerend, en ik heb afgesproken dat ik me meld voor een hartfilmpje als het nog een keer zo aanhoudt (en ik de praktijk of iets vergelijkbaars kan bereiken). Plus bloedonderzoek, en daar kwam ook niets alarmerends uit, maar wel bleek mijn ijzer aan de lage kant: 

  • Hb is met 7,3 aan de lage kant van normaal (minimum is 7,2) en voor mij is dat zelfs toch wel abnormaal laag: gewoon is voor mij boven de 8. Dat kan misschien de hartkloppingen verklaren – maar misschien ook niet. 
  • De indicatoren voor de ijzervoorraad in mijn lichaam zijn wel echt te laag. Ferritine is bijvoorbeeld 8, waar die minstens 13 moet zijn. Ik heb de voorraden kennelijk de afgelopen jaren geplunderd. Vandaar dat ijzer bijslikken wel verstandig is, kijken hoe het zich daarmee ontwikkelt.

Verder is er geen reden tot nader onderzoek – een vriendin van ons had vorig jaar ook een laag Hb en buikpijn en dat werd op haar dieet en de overgang geschoven, maar die bleek wel degelijk darmkanker te hebben (het gaat naar omstandigheden goed met haar nu). Dus ik heb de dokter nadrukkelijk gevraagd of mijn waarden aanleiding zijn voor darmonderzoek, maar hij vond van niet: Hb is niet extreem laag, mijn andere bloedwaarden zijn goed, en vegetariër + bloeddoner + duursporter + die menstruaties lijken afdoende verklaring voor wat er aan de hand is. Wel na een paar maanden checken.

Het is eigenlijk zelfs meer een mirakel dat ik nooit eerder ijzerproblemen heb gehad. Om mij heen wemelt het van de vrouwen met structureel problemen met hun Hb, en ik was juist altijd probleemloos bloeddonor zelfs. Vandaar ook dat ijzer bijslikken niet helemaal in mijn zelfbeeld past. Maar vooruit dan maar.

Ten opzichte van het volbrengen van een Ironman is het ijzer anders, zal ik maar zeggen.  

Door |2018-07-03T10:34:26+02:003 juli 2018|Vrouwensport|1 Reactie
Ga naar de bovenkant