Terugblik: turbulentie!



- Ik ga weer een boek schrijven! Of ik moet zeggen: we, want het is samen met Nicole. De werktitel is ‘Je hoeft geen supermens te zijn om je grenzen te verleggen’; we willen trainingsadviezen geven voor ‘gewone stervelingen’ of ‘mindere goden’ (‘voor losers’, zegt manlief). Ons is het namelijk al een tijd een doorn in het oog dat de trainingsadviezen die je in boeken en op internet vindt, gericht zijn op, of op z’n minst afgeleid zijn van, toppers. Daar vindt immers het onderzoek plaats, en daar verdienen trainers het beste hun brood. Maar als je, bijvoorbeeld, ouder bent, minder getalenteerd of ergens een andere beperking hebt, dan vind je weinig. Dat gat willen wij vullen, deels met echte adviezen en kennis, deels met ervaringsverhalen van onszelf en anderen – en Nicole voegt daar een geweldige dosis humor aan toe!
Er is een hoop meer over te zeggen, natuurlijk, maar dat doen we wel in het boek. Jullie horen er natuurlijk te zijner tijd meer over – na deze terugblik zet ik een punt achter dit weblog, maar ik zal nog zeker terugkomen als er iets te melden is over het boek. Dat kan nog wel even duren natuurlijk. Als je ideeën hebt voor de uitgave ervan, dan horen we dat graag! - En toen…. Besloot ik ook nog hardlooptrainer te worden, althans, de opleiding te gaan volgen. Sinds half november ben ik HIO, hardlooptrainer-in-opleiding, bij RunningHolland. Ik vond het tijd worden om twee jaar gemopper op hoe de trainingen bij RA gaan om te zetten in iets constructies (probleem is nu wel dat ik alleen maar kritischer word, maarja, da’s een tussenfase), een papiertje halen leek me goed voor mijn geloofwaardigheid als schrijver van een boek met trainingsadviezen, en ik heb nog vagelijk ook wel een gevoel van missie om iets te betekenen vooral voor vrouwen die zich tegen heug en meug naar de sportschool slepen omdat ze ‘moeten’ sporten. Maar concreet is dat nog niet, ik heb nog geen heldere plannen voor zelf trainer zijn.
Eerst die opleiding maar eens. Die is leuk maar pittig. Ik heb er veel aan voor mijn eigen lopen (zie mijn verhaal van eerder over techniek, dit is de andere ‘input’ voor daar hard aan werken op het ogenblik), vind het leuk om met de groep samen te trainen en elkaar aan het werk te zien, ik leer ervan bijvoorbeeld op het gebied van anatomie en fysiologie en ook po het gebied van hardloop-trainingsleer meer tot in detail dan eerder. Ik vind het leuk om zelf trainingen te geven en dat gaat ook goed tot nu toe – ik heb al flink wat kwaliteiten gescoord, want dat is de beoordelingswijze.
Maar het kost wel veel tijd (dertien zaterdagmiddagen in Amsterdam, plus flink wat huiswerk) en ik vind het soms oncomfortabel om de langzaamste te zijn in de groep – want ja, dat ben ik, en ik heb zelfs al een stuip van faalangst gehad bij een moeilijke oefening. Hoe het eraan toe gaat sterkt me wel in de overtuiging dat er een gat in de markt is voor trainers speciaal gericht op de mindere goden. - Van een heel andere orde: ik heb de moed bij elkaar verzameld en ben gestopt met de hormoonsuppletie die ik sinds april gebruikte vanwege mijn slechte slapen, vermoedelijk een overgangskwaal. De pillen hielpen (denk ik), maar ik voelde me er oncomfortabel bij: ervoer het een beetje als de natuur tegenwerken (overgang is geen ziekte) en mezelf chemisch aanpassen om de ratrace vol te kunnen houden, iets waar ik bij ritalin en anti-depressiva altijd tegen ben geweest. Bovendien had ik zo geen idee meer hoe het zat met mijn eigen veranderende hormonen. Ik voelde me wel heel kunstmatig vlakgetrokken. Dat was lekker, maar ook onnatuurlijk. En wat ging ik zo uit de weg?
Ik voelde me in de periode na de Ironman zó goed dat ik dacht: ik durf het wel weer zonder. Zelfs als het slapen weer zo slecht wordt als ervoor, trek ik dat voorlopig wel, en hopelijk kom ik dan hormonaal in rustiger vaarwater. Mocht ik het niet trekken, dan zijn die pillen er als vangnet. Maar nu: weg ermee!
Ik vond het superspannend, maar het gaat prima. Ik slaap redelijk – goed genoeg in elk geval. Minder goed dan met de pillen of dan vroeger, maar veel beter dan de voorgaande vijf jaar, royaal genoeg om goed bij te functioneren. Ik snap ook beter waarom ik slecht slaap als dat zo is, wat meer grip erop geeft. Meer in het algemeen voel ik me op dit moment niet die speelbal van mijn hormonen die ik vorig jaar was. Terwijl het allemaal nog zeker niet voorbij is: nog geen menopauze in zicht. Wel word ik minder vaak ongesteld (hèhè, eindelijk).
Over het allerslechtste slapen van vorig jaar denk ik achteraf dat ik mogelijk op het randje van overtraindheid zat, als gevolg van de lange duurlopen in de aanloop naar de marathon en daarna het trainen te vroeg weer te zwaar oppakken. De combinatie van winter + hormonale disbalans + iets te zwaar trainen ontregelde mijn slapen kennelijk, waardoor het helemaal een uitputtingsslag c.q. vicieuze cirkel werd. Maar slecht slapen deed ik de 4 jaren daarvoor ook al, en waarom het ten opzichte daarvan nu zo veel beter is, weet ik niet. Ik ben echt niet vier jaar lang overtraind geweest. Maar ik ben wel blij met hoe het nu gaat!
Dank


Met Jo, na het fietsen

Met Nicole, vóór het fietsen
Ik gebruik het gesprek met hem ook wel eens als voorbeeld als het gaat om zingeving: hoe je soms in kleine, terloopse dingen iets voor iemand kunt betekenen.
Uiteindelijk was het verlangen om voor jullie een keer een blogpost te schrijven met de titel ‘I am an Ironman’ óók een grote motivator: ik keek daar stiekem al heel lang naar uit.
Ik sta in de krant!
Even een snel bericht: het speelde al een tijdje, en vandaag is het verschenen: een artikel in De Volkskrant over trainen voor de Ironman (zaterdag is die in Nederland), en één van de drie portretten is van mij. Dus: gauw naar de winkel allemaal! Of voor wie Internettoegang heeft: de link.
Ik heb het zelf nog niet gezien, nouja, alleen een halve scan van @kingfishererik. Het was heel leuk om aan mee te werken, zowel met de journalist als de fotograaf! Ik heb van de fotograaf ook nog een paar andere foto’s gekregen, die zal ik binnenkort hier plaatsen.
To do
Naast al dat trainen (mijn laatste trainingsblokje is gister begonnen) kost de Ironman-voorbereiding ook nog in een ander opzicht tijd en aandacht. Ik ben al een tijdje bezig met het doordenken van de hele logistiek. Dat gaat om vragen als:
- Wat ga ik eten en drinken, wat neem ik daarvan zelf mee en wat pak ik aan onderweg, hoe ga ik wat ik zelf meeneem op de fiets doen? Zodoende oefen ik vlijtig met m’n hele eet- en drinkschema en ben ik aan de High5 omdat ik die daar ga krijgen.
- Wat voor spulletjes worden het precies? Welk zwembrilletje, welke sport-BH, welke sokken, doe ik lenzen zo lang of houd ik toch een bril bij de hand, kleed ik me om voor het lopen, dat lijkt me wel lekker, koop ik nog een nieuw triathlonpakje want het oude is wat vaal (nee dus – want het zit perfect en ik hoorde zondag nog iemand klagen over schuurplekken van een nieuw pakje en dat is erger dan vaal), heb ik nog nieuwe hardloopschoenen nodig (ja, dat wel), moet mijn fiets nog voor een check-up (ja, ook maar), moeten er nog nieuwe plaatjes onder mijn fietsschoenen – ja, dat ook, rotklus altijd, want mijn voeten zijn daarin twee prinsesjes op de erwt.
- Hoe ga ik me beschermen tegen de mogelijke middenfranse zon en hitte? Zonnebrandcreme, petje dat past op mijn XL hoofd, zonnebril? Bestaan er nog fietsshirts met lange mouwen voor in de hitte? Lijkt van niet, maar gelukkig kan ik zoiets lenen van manlief. Nog meer drinken, hoeveel dan, moeten daar dan mineralen in? Hoe vind ik de balans tussen te veel en te weinig drinken? Met die vraag ben ik laatst bij een sportdiëtiste geweest, dus ik houd nu bij hoe veel vocht ik verlies in een training – later meer daarover. Zal je zien dat het straks koud en nat is in Vichy, maar dat ben ik wel gewend!
Wat ga ik de laatste dagen voor de wedstrijd doen? Dat is een nieuwe vraag, en ik ben op het idee gekomen om daarover na te denken door het boek On top of your game. Mental skills to maximize your athletic performance van Carrie Cheadle. Ik werd op Cheadle geattendeerd via Twitter, las wat van haar en dacht: daar wil ik wel meer van lezen. Voor de top van mijn eigen game, maar ook omdat ik mentale training sowieso interessant vind. Het is het beste boek dat ik ken op dit vlak. Je moet er wat Amerika uitfilteren, zal ik maar zeggen: ietsje ‘yes you can’ eraf en de affirmaties wat aanpassen aan wat je wel je strot uitkrijgt, maar dan is het leuk en nuttig.
Belangrijkste nieuwe idee dat ik eruit haalde, was dat van de wedstrijdvoorbereiding. Daarbij dacht ik altijd aan de uren voor de start op de dag zelf, maar door het boek bedacht ik dat ik ook de dagen ervoor kan voorbereiden, om ervoor te zorgen dat ik met de optimale spanning aan de start sta. Ik heb nogal eens last van te veel wedstrijdspanning – bij de marathon bijvoorbeeld. Terwijl ik op mijn best presteer bij juist wat onderspanning, wat ik ‘het komt als ik het niet verwacht’ noem. Maarja, ik ben al twee jaar bezig met 28 augustus 2016, dus ga dan maar eens niets zitten verwachten op 25, 26 en 27 augustus…
Nou, hoe ik dat ga doen, daar denk ik dus over na. Het gaat vooral om afleiding: hoe houd ik mezelf aangenaam bezig die laatste dagen? Ik zou me in Vichy en omstreken uitstekend een paar dagen kunnen vermaken, wandelend en fietsend in het Centraal Massief bijvoorbeeld. Maar nou net dat mag niet, want dat is te vermoeiend. Vandaar: wat is er verder te doen in Vichy (o.a. de thermale baden), welke boeken neem ik mee, welke muziek?
Ik heb al heel wat dingen van de to-do-lijst kunnen afvinken. Hier zijn wat recente aankopen bijvoorbeeld:
Het worden denk ik de schoenen rechtsonder. Het petje, daar ben ik blij mee, ik liep daar zomaar tegenaan bij een outlet en het zit perfect – echt zeldzaam voor mijn grote hoofd. En die zonnebrandcreme, die smeert makkelijk uit voor zo’n hoge factor.
De nieuwe plaatjes zitten er ook al onder sinds zaterdag, hèhè:
Chi-running: theorie en praktijk
Een paar weken terug schreef ik over de cursus chi-running die ik heb gedaan. Zoals ik toen al schreef, vond ik het meteen leuk en nuttig, al schrok ik wel van de spierpijn in mijn kuit en vroeg ik me af of het wel slim was om in de opbouw naar een Ironman zo met m’n techniek aan de slag te gaan.
Die twijfels zijn weg: sinds de tweede les weet ik wat die spierpijn me wilde leren: m’n hele onderkant (onderbenen, voeten, tenen) meer ontspannen. Geen rare spierpijn meer gehad dus, en sindsdien opvallend lekker gelopen. Niet dat ik nu ineens een volleerd chi-runner ben, ik heb vooral nog moeite om mijn armen erbij te betrekken zonder daarbij meteen weer de hele onderkant te verrommelen qua techniek. Maar ik weet waar ik aan moet werken, en dat is al leuk – dat is ook het hele idee van chi-running, dat je je richt op het proces, op het lopen zelf dus, en je lichaam waarneemt en mild corrigeert.
Bovendien voelt het lopen beter dan in lange tijd. Rustige duurlopen voelen lichter en mijn tempo daarbij is zo af en toe weer terug naar wat het twee jaar geleden was; in de tussenliggende tijd was ik (veel) langzamer, waarvan ik al dacht dat dat voor een deel aan mijn techniek lag, dat die erop achteruit was gegaan sinds ik langere duurlopen was gaan doen: het was hoe langer hoe sjokkeriger en zwoegeriger geworden allemaal. Achteraf gezien heb ik de marathontraining vorig jaar echt niet goed aangepakt.
Ook heb ik voor het eerst sinds de voetblessure weer snelle stukken gelopen, en ook dat ging wel lekker. Ik heb dinsdag voor het eerst weer het hele programma meegedaan met mijn groep van RA, en ik heb zelfs vorige week mijn snelste 100-metertjes ooit gelopen, denk ik, met de chi-sprinttechniek. Niet dat ik daar nu meteen zo veel aan heb voor de Ironman, maar het is wel leuk en het geeft wel vertrouwen erin dat ik met het lopen weer de weg omhoog heb gevonden.
Zoals ik graag doe als ik iets nieuws leer en/of enthousiast ben, ben ik boeken gaan lezen over chi-running. Eerst het boek van de man die het heeft uitgevonden: Danny Dreyer. Daarna las of hoorde ik ergens dat het kleinere, goedkopere boek van diens leerling en de Nederlandse chi-running pionier Marion Meesters ‘eigenlijk’ beter is, en heb ik dat ook maar besteld. Dreyers boek telt 342 pagina’s (€ 24,95), Meesters’ 190 kleinere (voor een tientje).
Volgens mij mis je inderdaad met dat kleinere boek niet heel veel, behalve dan dat Dreyer veel dieper ingaat op de techniek van chi-running. Ik vond dat leuk en nuttig om te lezen, maar dat was na de cursus. Ik vraag me af of je de techniek wel uit een boek kunt leren, of nouja: ik zou dat niet kunnen. Dat extra volume is voor een deel typisch Amerikaanse ‘wol’: er staat nogal vaak hetzelfde, want die extra techniek staat er dan wel drie keer in, met veel woorden.
Ik moet wel bekennen dat het woord mindful in de titel van Meesters’ boek me afgeschrokken zou hebben als ik dat had gelezen vóór de cursus. Ik heb niets tegen mindfulness als zodanig, maar wel tegen de modegrill die het is (of was?). Dreyer gebruikt de term body sensing en daar kan ik eigenlijk meer mee, vooral omdat hij minder beladen en misbruikt is. Wat het is bij chi-running, beschrijf ik eigenlijk hierboven: procesgericht lopen, met je aandacht bij je lichaam. Helemaal prima – mijn allergie betreft alleen het woord. Meesters gebruikt het een enkele keer in het boek en heeft het ook over body sensing – het staat vast op de cover om marketingredenen.
Allebei leuke en nuttige boeken dus, vooral om me bij de les te houden: regelmatig in bladeren en ‘oja’ denken, want ongetwijfeld gaat er in de loop van de tijd iets scheefgroeien in wat ik me herinner van de chi-running-techniek. Dat van Meesters heeft inderdaad een betere prijs-kwaliteitverhouding, maar ik vind het ook leuk om het hele chi-runningverhaal te lezen in de woorden van de grondlegger ervan.
Beide boeken lezen ook als reclame voor chi-running, met veel juichverhalen: citaten en ervaringen van mensen die dankzij chi-running anders en beter zijn gaan lopen, ja, leven zelfs. Mooi – maar zo veel dat het me ook sceptisch gemaakt zou hebben als ik niet zelf er al wat van ervaren had. Nu lees ik die verhalen eerder ter bevestiging en vind ik ze hoopgevend. Voor mij is het immers nog wat pril, maar ik ben wel benieuwd wat chi-running mij verder gaat opleveren. Wordt vervolgd dus!
“Misschien sla ik een beetje door”
Onder bovenstaande titel heeft Psychologie Magazine deze maand (nr. 5) een artikel over extreem sporten. Aan het woord komen een triatleet, een ultraloopster, een bergbeklimmer die traint voor de Mount Everest en een ultramarathonloper. Die trainen achtereenvolgens 15-20 uur per week, 10-30 uur, 10-15 uur en 15-20 uur.
Ter vergelijking: ik ga in een enkele week, zoals laatst in Portugal en ook later in de zomer nog met de lange duurtrainingen, naar de 18 uur per week als maximum. In de rustigste wintermaanden zit ik op zo’n zes uur. Vorige week tien uur; de helft daarvan was in één keer een lange, rustige fietstocht zondag, de Omloop van Rotterdam, die met meer wind mee en zonder de twee ijswaterbuien heel wat korter had geduurd (maar die wel leuk was)! Deze week blijf ik op een paar uurtjes steken, want ik ben zo verkouden dat ik vandaag zelfs werk heb moeten afzeggen, dus trainen zit er even niet in.
De vraag is natuurlijk wat ‘doorslaan’ is en daarop geeft een slotbeschouwing wel een aardig genuanceerd antwoord, vooral bij monde van Bram Bakker: soms ligt er een echt probleem onder zo’n hobby, zoals een eetstoornis, maar een problematische verslaving is sporten niet gauw. Dat fanatieke sporters klachten krijgen als ze ineens niet meer kunnen sporten, duidt meer op een stressreactie die optreedt uit gewoontevorming dan op echt afkicken. Veel sporten wordt pas problematisch als het je functioneren op andere terreinen ondermijnt, zoals je relatie, sociale contacten of je werk. Of als je je lichaam uitput, dan krijg je een sport-burn-out.
Wel is het zo dat mensen die extreem sporten vaak sowieso extreme mensen zijn, die anders op andere manieren naar een extreme kick zouden zoeken, bijvoorbeeld in drank of drugs. Net als bij drugsverslaafden hebben hun hersenen een beloningscentrum dat niet makkelijk aanslaat, en dus sterke prikkels nodig heeft, zoals de euforie na een wedstrijd.
Dat herken ik wel: ik heb wel eens gedacht dat het fijn zou zijn als ik me ook zonder veel te sporten lekkerder zou kunnen voelen. Ik heb dat meer in verband gebracht met ‘in mijn hoofd zitten’ waar sporten me uithaalt, maar wie weet heb ik inderdaad ook wel een beloningscentrum dat moeilijk ‘aanslaat’.
De triatleet in de voorbeelden zou eigenlijk wel op willen schalen naar 30 uur trainen in de week, maar hij is net vader geworden en doet daarom juist een stap terug. 30 uur in de week – dan vraag ik me af, dat moet toch richting professioneel niveau gaan? Maar er staat dat hij fulltime werkt. Daar schiet mijn voorstellingsvermogen wel tekort, hoe je dat kan bolwerken. Maarja, dat hebben veel niet-sporters bij mij ook al, en ik vind het wel meevallen.
De enige dame van de vier, de ultraloopster, zegt meteen aan het begin van haar interview: ‘Toen ik 50 werd trakteerde ik mezelf op een hardlooptocht van 169 kilometer in 46 uur rond de berg Fuji’. Die formulering ga ik onthouden: ik ben 50 geworden en ik trakteer mezelf op een Ironman!
Geen non
Er staat dit weekend een ingezonden brief in de krant (NRC) die volgens mij aardig aansluit bij mijn post van afgelopen dinsdag. Het is een reactie op een artikel van vorige week, waarbij ik ook al ‘nounou’ had gedacht. Een ‘nounou’ dat vooral betekent: is die niet een beetje al te obsessief bezig met eten?
Kilo’s af willen vallen tijdens een zware trainingsperiode in de hoop zo sneller te worden, daarom je ‘altijd’ aan je dieet houden, begeleiding door een voedingskundige (in termen van ‘hulp nodig hebben’), je bakje kwark goed timen, geen drop, geen bier, want dat zijn ‘lege calorieën’, en dus al dromen van waar je je aan tegoed gaat doen na de marathon… voor mij gaat dat te ver.
Nou heb ik makkelijk praten, dat besef ik wel, want ik heb geen gewichtsprobleem, althans, eerder het omgekeerde: als ik intensief train, moet ik flink eten om geen ‘vogelnekje’ te krijgen en om te voorkomen dat mensen gaan vragen of het wel goed met me gaat. Ik weeg me zo af en toe, als ik eraan denk, en mijn gewicht is stabiel net boven de 60, met een marge van zo’n 2 kilo en een BMI van net onder de 20.
Maar veel belangrijker is: ik sport voor mijn plezier, en dus eet ik ook nog steeds met plezier, en daar zitten ‘foute’ dingen tussen – zo moge wel blijken uit mijn overzicht van dinsdag. Ik zit niet met wat snoep en alcohol, ik time mijn eten niet precies en er zijn, afhankelijk van je visie op gezond eten (het lijkt soms wel een religie op het ogenblik), nog een boel verbetermogelijkheden. Maar dat gaat mij al gauw te ver ook.
Ik doe mijn best volgens een soort 80/20-principe: als 80 % van mijn eten okee is, maakt die resterende 20 % niet zo veel. Maar zelfs dat meet of bereken ik niet heel precies. Ik meet of bereken vrijwel niets precies, behalve dan voor wedstrijden. Dat moet ook niet hoeven, vind ik. In je lijf zit ook geen telraam, hè? Ik doe veel op gevoel – dus af en toe geef ik ook lekker toe aan een vreetbui; heb ik kennelijk in de periode daarvoor net iets te weinig gegeten.
Kortom: ik leef niet bepaald als een monnik, uh, non, dat lijkt me ook op mijn niveau nergens op slaan.
In dat artikel van vorige week is het vooral dat al weken van tevoren uitkijken naar wat je allemaal mag ná de marathon dat voor mij een signaal is dat er iets te ver gaat, dat je je lijf op strafkamp hebt gestuurd. En één zinnetje vind ik veelzeggend: ‘het is fijn te weten dat ik niets aan het toeval heb overgelaten’. Aha, denk ik dan, dat is de clue: onzekerheidsreductie. Je streng aan een dieet, of ook trainingsschema, houden geeft een gevoel van controle, iets waar duursporters sowieso bovengemiddelde behoefte aan hebben (ja, ik ook). Houd je je aan je dieet, dan ben je goed bezig. Maar dat is wel schijnzekerheid, en het kan obsessieve trekjes aannemen.
In de krant van vandaag staat een ingezonden brief die iets heel soortgelijks betoogt, en beter verwoord dan dat ik hier doe, vooral aan het eind, met ook nog eens een grappig plaatje erbij:
Nou zou ik niet genoeg hebben aan ’s morgens 2 crackers en een lunch van 4 boterhammen. Maar met de strekking van het stuk ben ik het eens!
Ergerlijk boek, maar wel wat van geleerd
De zin uit het boek Het duurloopmisverstand waar ik het het meest hartgrondig mee eens ben, staat op p. 155 en is niet afkomstig van schrijver Klaas Lok, maar van ene Rob Boot die reageert op een eerdere druk van het boek:
Het zou fijn wezen als je een tweede boek zou schrijven, iets losser van je eigen referentiekaders, in een nog meer aansprekende taal maar uiteraard wel gebaseerd op de Souplessemethode!
Die Boot doelt erop dat het boek wel heel erg alleen maar op de top gericht is. Misschien niet met zoveel woorden, maar bijna alle voorbeelden draaien om, bijvoorbeeld, tempo’s waarmee je Nederlands kampioen wordt. Lok schudt het hele boek lang allemaal voorbeelden uit zijn mouw waarin het gaat om, bijvoorbeeld, tempo-kilometers van 3′ (ter vergelijking: mijn snelste kilometer ooit was in ongeveer 4’50; 3′ per kilometer loopt in Nederland maar een handjevol). Bijna alle ervaringsverhalen zijn die van kampioenen, waaronder Klaas Lok zelf. Desalniettemin heeft hij het dan ergens toch nog apart over wereldtoppers met talent (p. 45) die anders trainen – kennelijk vindt hij zichzelf, 24-voudig Nederlands kampioen, niet zo getalenteerd. Zoiets staat zelfs in het voorwoord (een ‘verre van bovengemiddelde aanleg’, p. 7).
En dan gaat het ergens over prestatielopers, althans, dat lijkt zo, want het kopje luidt ‘Prestatielopers kunnen ook sneller’ (p. 40), maar dan gaat het na vier alinea’s alwéér over een voormalig wereldrecordhouder op de marathon.
Tsja. Het hele boek lang heb ik het gevoel gehad ‘dit boek gaat dus niet over mij’. Manlief zei gister: het lijkt Marco van Basten wel. Over hem gaat immers ook het verhaal dat hij mislukt is als trainer omdat hij niet om kan gaan met voetballers die minder getalenteerd zijn als hijzelf. Voor sommige toppers is het erg lastig om af te dalen naar het niveau van gewone stervelingen: al die honderdduizenden die óók hardlopen maar die nevernooitniet ook maar kunnen dromen van kampioenschappen
Daar komt nog bij dat het gericht is op afstanden van ongeveer 800 meter tot 10 kilometer. De halve marathon komt ook nog wel aan de orde, en ja, de marathon ook, maar daarvoor vallen ineens toch lange duurlopen uit de lucht en bovendien mag de hele marathon van Lok ‘afgeschaft’ worden of vervangen door iets van maximaal 30 kilometer lengte, want een mens is niet gebouwd voor het lopen van zulke afstanden en er knappen mensen door af Je hoort ‘m tandenknarsen als hij die alinea (p. 120) afsluit met de zin:
Overigens moet ik wel toegeven dat velen een fantastische bevrediging vinden in het volbrengen ervan.
Wat een contrast met het vorige ‘anti-lange-duurlopen-boek’ dat ik las! Geef mij dat Ik, hardloper maar; Het duurloopmisverstand irriteert me van de eerste tot de laatste pagina.
Nou heeft Het duurloopmisverstand wel één voordeel ten opzichte van Ik, hardloper, en dat is dat het wel meer diepgang heeft. Zodoende heb ik er één ding van geleerd: waarom je voor hardlopen en fietsen zo anders moet trainen. Bij hardlopen maak je gebruik van je elasticiteit, het is (als het goed is) een soort veren. Dat heet ok wel ‘reactief’ lopen. Dat doe je vanzelf als je pittige, maar niet idioot harde intervallen loopt – dat is de essentie van deze methode. Een rustige duurloop is eigenlijk te weinig verend, waardoor je gaat lopen sjokken en de vering als het waren tegenwerkt, kapotmaakt misschien wel (mijn woorden).
Ik herken dat: iets harder loop ik technisch veel beter dan dat moeizame gesjok in een duurloop. Zo had ik tijdens het lezen dus toch een vallend kwartje: is mijn duurlooptempo daardoor achteruit gegaan, dat ik mijn toch al gebrekkige vering de das om heb gedaan? Dat het iets looptechnisch was is wel door mijn hoofd gegaan.
Ik herken ook wat hij schrijft over dat je lichaam kan gaan protesteren en dat je dat dus ook traint, die proteststand. Hé, zou dat verklaren waarom ik m’n beste lange loop liep na nog relatief weinig (duur-)training en eigenlijk op het verkeerde moment?
Ik denk dat ik nu beter snap hoe ik niet moet trainen. Maar op basis van dit boek heb ik geen flauw idee hoe dan wel. Want zo’n slepende duurlooppas, zo geeft Lok toe, is wel ‘misschien economisch voor de marathon’ (p. 40). De intensiteit waarop ik op souplesse loop, kan ik niet lang volhouden. Inderdaad misschien net tot die 10 kilometer waar dit boek vooral over gaat. Dus hoe loop ik dan ooit een langere afstand? ‘Niet’, zou Lok zeggen, denk ik. Gelukkig heb ik ook andere informatiebronnen.
Ik, maximaal-14-kilometer-hardloper?
Ik schreef een paar dagen geleden dat ik me ging verdiepen in andere loopbenaderingen, namelijk die waarin je een marathon loopt zonder lange duurlopen. Ik heb het eerste boekje daarover nu uit: Ik, hardloper van Stans van der Poel en Koen de Jong. In die aanpak loop je niet langer dan 14 kilometer. Er staan schema’s in het boek, en als ik het goed gezien heb, is de grootste weekomvang voor de marathon 43 kilometer (p. 168). Alles in D2, geloof ik (dat staat er niet heel duidelijk).
Ik denk dat ik dat best wel eens wil proberen. Als ik eenmaal weer kan lopen. Ik heb altijd gedacht: ik geloof daar niet in. Met wat ik weet van trainingsleer en met hoe ‘iedereen’ traint (zoals bij de atletiekvereniging) zijn die duurlopen tot minstens 30 en eigenlijk 35 kilometer essentieel. Maar ik heb ondervonden dat mijn lijf ze slecht verteert (mogelijk ben ik een tijdje van slag geweest na mijn marathon in november), dat ik het niet leuk vind, dat ze ook niet leidden tot een heel succesvolle marathon, en dat ik sinds ik langere duurlopen dan 20 kilometer doe alleen maar langzamer geworden ben. Dus waarom niet eens iets anders geprobeerd? Ik ga toch niet voor een wereldtijd.
Maximaal 14 kilometer lopen, dat klinkt me als muziek in de oren. Geen idee of ik daarmee een Ironman-marathon kan volbrengen, maar dat is het experiment. Als ik het lopen weer in het vizier krijg, ga ik contact zoeken met Stans van der Poel, die ook triatleten begeleidt en zelf als 50+-dame Ironmans heeft volbracht. Dat klinkt sowieso wel interessant!
Een ander dingetje viel me in het boek ook op. Een heleboel mensen, inclusief sportbegeleiders en fysiotherapeuten, schatten in dat een 50-jarige ongeveer 30 % minder sterk is dan een 30-jarige. Maar dat percentage ligt veel lager (ik kan in de grafiek helaas niet precies zien hoe laag), en een 50-jarige is even sterk als een 15-jarige. ‘Mensen die de vijftig gepasseerd zijn accepteren te makkelijk dat dingen niet meer of moeilijker gaan’ staat er in het hoofdstuk over hardlopen en leeftijd (p. 101), en ‘Leeftijd speelt een veel minder grote rol bij teruglopende prestaties dan veel mensen denken’ – leefwijze is veel belangrijker.
Dat is een vergelijkbare boodschap als die van Joe Friel, en ik had ‘m nét even nodig, want ik heb de laatste weken net iets te vaak gehoord dat ik, nu ik de 50 voorbij ben, nou eenmaal niet meer zulke hoge eisen moet stellen/rekening moet houden met steeds meer pijntjes en kwaaltjes/overbelat zal raken/achteruit zal gaan, enzovoort – de pittige blessure van nu, zo kort na die mijlpaal-verjaardag, ai, op dat punt gemene timing. Maar ik weiger voortijdig achter de geraniums plaats te gaan nemen. Dit boek steunt me daarbij.
Verder staat er in het boek veel wat me al bekend was uit Ik, de wielrenner (zie mijn recensie daarvan voor Touretappe – gelukkig bestaan vrouwen in Ik, hardloper wel) en Bewegen voor Beginners. Bijvoorbeeld over het belang van een rustige ademhaling – oja, ook iets om weer eens wat mee te doen. De quinoa die me in Ik, de wielrenner opviel passeert ook weer. En ook hierin zit een hoofdstuk over hoe goed hardlopen is tegen allerlei ziektes van lichaam en geest, en dat vind ik dan weer ietsje uit de toon vallen, want dat lijkt erop gericht om mensen over te halen om te gaan hardlopen, terwijl de rest van het boek gericht is op lopers die het eens anders willen proberen. Dat sporten goed is, dat weten we nu wel.
Het hoofdstuk over chi-running vind ik dan ook nog interessant, daar wil ik wel eens een workshop in doen. Maar eerst maar weer eens kunnen hardlopen…