Jaararchieven: 2019

En dan: winnen!

Schrijf ik hier zaterdag een blogpost over dat begrenzen, genieten en accepteren van elke prestatie veel belangrijker zijn bij het sporten dan presteren, en wat doe ik dan de dag erna?

Winnen.

Ik heb gisteren de 50+-vrouwen-categorie gewonnen van de 1/8e triathlon Hoeksche Waard (voorheen Binnenmaas)! Althans, zo leek het, maar daarover verderop meer.

En ja, dat is leuk. Ik heb vaker m’n leeftijdscategorie gewonnen, maar nog niet eerder van zo veel vrouwen (20) en mét prijsuitreiking.

En dat terwijl het eigenlijk helemaal niet heel goed ging. Zwemmen ging eigenlijk zelfs gewoon belabberd. Achteraf hoorde ik van zo’n beetje iedereen hetzelfde verhaal: het was een partij vrij worstelen. Ik ben halverwege de heenweg maar om de meute heen gaan zwemmen, daarna ging het beter. Maar bijna 14 minuten – zo langzaam ben ik nog nooit geweest op die afstand, volgens mij, zelfs niet bij mijn triathlondebuut, in hetzelfde water, in 2011. Lopen ging dan weer wel okee en steeds lekkerder, ondanks dat ik veel had gegeven bij het fietsen.

Het maakte me allemaal niet zo veel uit: met het oog op de 180 kilometer tijdrit in Almere over twee weken wilde ik maar één ding: hard fietsen. En dat ging wel goed. (Nouja, ik had eerlijk gezegd nog op een iets hoger vermogen gehoopt – de lagere trainingszones, die ik in Almere nodig ga hebben, hebben duidelijk meer progressie geboekt dan de hogere. Dat is hoe ik het wil en waar ik voor getraind heb, dus dat is okee. Afgezien van gister ben ik daar zelfs superblij mee, met hoe m’n training aan het uitpakken is. Maar daarover later meer.)

Eén ding? Nee, ik wilde twee dingen: hard fietsen en lol hebben. Dat tweede is ook gelukt, op dat eerste stuk zwemmen na. Ik heb lekker gesport, daar was het prima weer voor, de Hoeksche Waard lag onder een fraaie wolken-en-zonlucht. Daarna was ik vrijwilliger-parcourswachter tijdens het fietsen op de kwart afstand, en daarna supporter en fotograaf langs het loopparcours van manlief en een hoop andere bekenden, onder andere van het Triathlonforum. Hier loopt Henk voorbij:

Altijd gezellig bij deze ‘moeder aller triathlons’ die voor ons voelt als een thuiswedstrijd (zie eerdere verslagen). Die een andere naam heeft, voor het eerst op zondag was, een prachtig parc fermé heeft gekregen (kunstgras hockeyveld) en gelukkig minder tumultueus verliep dan vorig jaar.

Ik heb bovendien genoten van de prestaties van anderen. Van Nicole, die een vlekje (nare zwem-DNF) van een paar jaar geleden wegpoetste door nu wél prima te finishen.Hier staan we samen te glunderen:

Van die boel bekenden. En van manlief, die tot zijn verrassing tweede werd bij de H60+.

Dus we gingen met twee trofeeën naar huis:

Ik weet hoe relatief het is. De winnares van de 60+-categorie was een stuk sneller dan ik!

Er zijn ook heus een boel snellere 50+-vrouwen. Gister misschien zelfs wel. De uitslagen waren namelijk een zootje en werden vanmiddag nog gecorrigeerd. Als de nieuwe versie klopt, was ik maar derde. Dat vind ik zelf een beetje katerig, en ook lullig tegenover die andere twee vrouwen. Maar geen idee wat er nou wel echt klopt.

Voor de rest, en hoe dan ook: 1e, 3e, wat maakt het uit; het gaat er niet om.

Gaan doet het veel meer om die glunderende koppies op de foto’s hierboven!

 

Door |2019-09-02T17:26:04+02:002 september 2019|Triathlon algemeen, Vrouwensport, Waarom|0 Reacties

Zelfverwoesting? Nee, begrenzing!

Cover boekDan het laatste boek van de serie zomerrecensies op dit blog van de laatste weken, en dat is bepaald niet het minste: het heeft me van allemaal het meest aangezet tot nadenken. Het is niet een echt sportboek, maar ik zag wel de relevantie. Het gaat om Het Zelfverwoestingsboek van Marian Donner. Ik heb er zo veel over te zeggen dat dit eigenlijk meer een essay is dan een recensie. Met uiteindelijk als wijze les: bepaal weloverwogen je sportdoelen.

Het kan altijd beter

Het eerste belangrijke punt dat Donner maakt, past in een trend – ik had het hier eerder bijvoorbeeld ook al over Intimiteit, dat zit ook in die hoek, en in de media hoor ik er ook regelmatig over: de observatie dat de huidige maatschappijvorm (noem het maar het neoliberale kapitalisme), aanzet tot een onbegrensde individuele verbeterdrang. Je kunt altijd nog beter, mooier, succesvoller, gezonder, slanker, rijker, sneller en sterker worden, en dat ‘moet’ ook, om te kunnen scoren, bijvoorbeeld op de sociale media – waarvan ook het aantal likes altijd meer kan.

In drie woorden samengevat: ‘Better never stops’.

Verbeteren is op zich mooi natuurlijk, het is mogelijk zelfs een ingebouwde behoefte van de mens – de oude Grieken hadden het er in elk geval al over. En enige mate van zelfdisciplinering is ook niet verkeerd en ook niet voorbehouden aan het huidige tijdsgewricht.

Maar al dat verbeteren heeft momenteel een keerzijde: de permanente onvrede van het nooit goed genoeg zijn en het over je grenzen gejaagd worden omdat álles beter moet. Dat wordt wel gezien als de oorzaak van de epidemie van onder andere depressie en burn-out.

En als je dat krijgt, ligt dat ook weer aan jezelf: je bent een ‘loser’ als je niet mee kan komen. Je hebt dan niet genoeg je best gedaan.

Het is een knetterhard mensbeeld. Ik ben blij met zoveel kritische publicaties erover. Dat maakt mij bewuster en het geeft ook hoop op verandering.

Je kunt ook jezelf altijd verbeteren

Maar Donner gaat verder. Ze betoogt dat ook het ‘werken aan jezelf’ mateloos kan zijn. Je kunt altijd een nog beter mens worden. Ook dat is nooit goed genoeg. Kijk maar naar de hoeveelheid zelfhulpboeken.

Daar begint het voor mij een beetje te jeuken. Want ook ik doe daaraan mee. Het hele idee van sportkunstenaar, van sport als levenskunst is dat je van sporten een beter mens wordt: stronger, wiser, kinder, in de woorden van één van mijn inspiratiebronnen.

Dat ‘moet’ dus kennelijk, een beter mens worden? Altijd maar op jacht naar stronger, wiser, kinder? Daarin schuilt datzelfde risico van mateloosheid. En van dus eigenlijk ook nooit zomaar goed genoeg zijn.

En er is nog iets. Door al dat werken aan onszelf komen we niet toe aan werken aan een betere, andere wereld. Altijd maar beter zijn met jezelf verbeteren draagt bij aan het behoud van de status quo. Ook daarin heeft het neoliberale kapitalisme het goed voor elkaar.

Nou, die zat. Ik las het boek vlak voor de triathlon van Klazienaveen, en op één moment in het parc fermé voor de start keek ik om me heen en dacht ik: ‘en wat als al deze mensen nou eens deze dag niet aan een triathlon hadden besteed, maar aan het werken aan een betere wereld?’ Ik had op dat moment acuut kunnen stoppen met sporten.

Ik ben gewoon van start gegaan, en heb met plezier en toewijding gesport. Maar de vraag heeft me sindsdien niet meer losgelaten. Hoe verhoudt sport als levenskunst zich tot de wens of zelfs noodzaak de wereld te verbeteren? Donner heeft het daar niet rechtstreeks over, ik heb er zelf over doorgedacht.

De wereld verbeteren

Die noodzaak tot het veranderen van de wereld is er, volgens mij: ik maak me zorgen over de klimaatcrisis en over de toenemende ongelijkheid tussen de ‘have’s’ en de ‘have not’s’ die tot zo veel polarisatie leidt. Aan de klimaatcrisis draagt mijn sporten rechtstreeks bij: wij gebruiken onze auto bijna alleen maar om naar sportevenementen te gaan; ik vlieg regelmatig om ergens anders te gaan fietsen, van een weekje Portugal of Mallorca tot de halve wereld over; onze volgende plannen betreffen Azië.

Maar de oplossing is niet simpel. Stoppen met sporten? Nee, dat is ‘m zeker niet. Om minstens drie redenen.

In de eerste plaats, dat heb ik hier ook al vaker geschreven: ik heb sporten nodig voor zowel mijn lijf als mijn hoofd. Dat je dingen ‘moet’ doen om je staande te houden in de wereld en mee te doen in de maatschappij, dat erkent Donner ook. Als ik niet zou sporten, zou ik bovendien onhebbelijker zijn, m’n frustratie eerder uiten richting andere mensen. Ook dat kan niet de bedoeling zijn, en het verbetert zeker de wereld niet. Op die wereld heb ik maar weinig grip. Heel veel tijd stoppen in het verbeteren ervan zou daarom tot machteloze frustratie leiden – niet te harden.

Ten tweede: zelf ineens heel erg goed je best moeten doen om maar, bijvoorbeeld, klimaatbewust te leven is precies diezelfde valkuil: het moet altijd beter, je kunt altijd meer doen, en als je dat niet doet, ligt het aan je jezelf. Het neoliberale dogma, maar dan in een alternatieve vorm.

Als we allemaal diep gebukt gaan onder vliegschaamte, hoeven de RyanAirs en de KLM’s van deze wereld niet te veranderen, hoeft ook de regelgeving op vlieggebied niet te veranderen. Dan laden we op onze eigen schouders wat in een groter verband niet klopt.

Ten derde: ik vind sporten leuk, ik kan er enorm van genieten. Het boek heeft als ondertitel ‘waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden en dansen’. Zo heel letterlijk bedoelt Donner dat niet, net zoals ze ook heus niet vindt dat we onszelf moeten verwoesten. Ze bedoelt wel dat er aan dingen simpelweg voor de lol of zomaar doen, niks mis is. Niet alles hoeft een verbeterproject te zijn. Ook werken aan een betere wereld niet, dat kan ook weer ‘moeten’ worden.

Doe nou eens gewoon niks moeten, dat is Donners zelfverwoesting. Wees eens níet streng voor jezelf. Faal, wijk af, wees ongezond en lelijk – en ondermijn daarmee dat harde systeem. In plaats van je er dienstbaar aan te maken.

Dus er is niks mis met sporten, zo lang dat maar niet helemaal in het licht komt te staan van altijd maar beter, sneller, verder, sterker, gezonder, slanker, toffer, mooier, enzovoort.

Begrensd sporten

Oftewel: er is niks mis met sporten, zo lang je maat houdt. Dat voegt dit boek toe aan hoe ik sport als levenskunst zie: er is een noodzaak tot begrenzing, tot goed genoeg zijn. Het moet niet altijd meer zijn.

Dat zit hem er vooral in dat je bij het bepalen van je doelen de afweging maakt: als ik dit doe, ten koste van wat gaat dat dan, en is dat het me waard? Hoe wil ik leven?

Voor mij is dat in helder geworden door dat jaar van m’n hele triathlon. Dat was gaaf, maar er moest zo veel voor wijken dat ik het niet voor herhaling vatbaar vond. Ik wil een leven met plek voor weekendjes wandelen met vriendinnen, voor bloedgeven als donor en voor Buitenkunst – dat waren concrete voorbeelden van dingen die ik dat jaar niet kon doen.

Ik denk dat ik in staat zou zijn om een hele triathlon te volbrengen in minder tijd dan de 15u18 van 28 augustus 2016. Dat kriebelt af en toe, en dat heeft het bij vlagen zelfs best sterk gedaan. Zal ik nog een keer? Maar nee, de prijs die ik daarvoor moet betalen is me te hoog: mijn leven wordt dan te eenzijdig.

Want dat is verstopt onder ‘better never stops’: dat elke keuze voor meer en beter ook ten koste gaan van iets anders. Ik volg een paar sportgerelateerde accounts op Twitter en als ik zie hoe veel tips voor beter trainen, eten en herstellen daar passeren in een week… dat trekt allemaal, maar ik zou een dagtaak hebben aan ze allemaal uitvoeren.

Er kan een heleboel, maar moet het ook? Nee dus. Het kan zelfs niet, en dat is een belangrijk besef.

Begrenzing geldt in het bijzonder ook voor materiaal, want daarin komt dat neoliberale kapitalisme helemaal tot uitdrukking natuurlijk: je materiaal kan ook altijd nog beter, en dan word je sneller. Je kunt je, zeker in de triathlonsport, helemaal arm kopen en zo grote bedrijven rijk maken.

En ja, dat levert wat op. Ik heb bijvoorbeeld zelf nagedacht over andere wielen. Ik rijd op de doodgewone wielen die bij mijn fiets geleverd werden. Daarmee ben ik bij langere wedstrijden een uitzondering: met hoge velgen of zelfs een dicht achterwiel zou ik sneller kunnen zijn. Maar dan hebben we het over honderden euro’s. Ik trek daar een grens: dat vind ik het niet waard.

Het gaat om het trekken van zulke grenzen. Waar ze precies liggen, daarin zullen mensen van elkaar verschillen. Eén van de overwegingen kan zijn of je tijd en aandacht vrij wil maken om je in te zetten voor een betere wereld. Dat ‘moet’ niet, maar het is wel de overweging waard. Ik ben daar nog niet uit trouwens. Ik doe wel wat dingen, maar is het genoeg? En wat zou een volgende stap kunnen zijn? Ik heb geen idee.

Een andere overweging is dat er voldoende ruimte in je leven over moet blijven om te ‘stinken, drinken, bloeden, branden en dansen’ – in Donners woorden. Dus niet alleen maar strak in de presteer- en verbeterdiscipline, maar ook rustig kunnen aanklooien en ‘slechte’ dingen doen – nouja, die zijn dus niet slecht.

Sport als levenskunst in het neoliberale kapitalistische tijdperk betekent dus ook: niet klakkeloos meegaan in het verder, sneller, meer en beter. Grenzen trekken, bezinnen, alleen en samen. Ook dat is sportkunstenaarschap.

* * *

Tot slot drie andere dingen die ik me voorneem om te ontkomen aan de ‘altijd beter/nooit goed genoeg’-drang:

  1. Voortdurend mijn vinger aan de pols: in hoeverre geniet ik van wat ik aan het doen ben met mijn sport? Is het goed puur omwille van zichzelf? Ik wist altijd al dat dat belangrijk was, maar in mijn prioriteitenlijst is het toch nog maar weer eens gestegen. Ik neem me ook opnieuw voor andere sporters juist daarnaar te vragen – in hoeverre heb je genoten? Dat is belangrijker dan de tijd of welk ander prestatie- of verbeterdoel dan ook.
  2. Vieren wat ik bereik. Mijn prestatie accepteren als zijnde het beste wat mijn lijf in die omstandigheden eruit weet te schudden – en dat is dus goed genoeg. Het hoeft niet altijd beter. Elke prestatie verdient onvoorwaardelijke aandacht. Dat neem ik me ook voor in contact met anderen: als iemand een halve marathon heeft gedaan, niet vragen wanneer de hele volgt, of een snellere. Gewoon blij zijn met die halve marathon. Of zelfs met een ‘mislukking’. Ik heb dit al in de praktijk gebracht in Klazienaveen: ja, ik wilde onder de 6 uur, en nee, dat  is niet gelukt, maar het was toch okee, want dat is wat mijn benen wilden, na die training en onder die omstandigheden.
  3. En ja, het sterker, wijzer, aardiger worden heeft ook nog altijd z’n plek. Zeker als je ‘aardiger’ oprekt tot ‘socialer’. Want levenskunst is niet per se alleen maar met jezelf bezig zijn. Je kunt wel degelijk met sporten een beter mens worden, en een beter mens betekent een betere wereld – in je eigen directe omgeving.

 

Door |2019-08-31T18:16:21+02:0031 augustus 2019|Boeken, Triathlon algemeen, Waarom|1 Reactie

Sportbrein viel een beetje tegen

Volgende boek (hierna nog één, althans, als ik niet tussentijds wéér iets leuks lees): Het sportbrein. Mythes uit de sportpsychologie ontrafeld. Dat viel me een beetje tegen. Dat is natuurlijk altijd een kwestie van verwachtingen: op basis van de ondertitel had ik meer ‘debunking’ van mythes verwacht. Dat is echter maar af en toe een paginaatje. De rest is eigenlijk een algemene inleiding in de sportpsychologie en mentale training.

Over die mythes: dat is leuk, ik houd van het ontzenuwen van onwaarheden. Die pagina’s zijn dus ook de sterke kant van het boek. Het gaat om van die zaken als ‘Je moet steeds 100 % gefocust’ zijn – dat kan helemaal niet. Of ‘never change a winning team’. Jawel, want anders dreigt het op je lauweren rusten of de wet van de remmende voorsprong. Enzovoort.

Over de rest, dus het meer algemene gedeelte: dat is denk ik interessant voor beginners in de sportpsychologie en de mentale training. Ik wist het eigenlijk allemaal al. En ik vind Focus veel beter. Vooral omdat dat boek een duidelijke invalshoek kiest en die uitwerkt. Het Sportbrein doet van alles een beetje, en ik ben bang dat het daardoor ook weinig praktisch is.

Het ‘ergste’ voorbeeld van de vluchtigheid is de bespreking van de Wave Work Roles. Dat  zijn acht rollen, maar ‘om de leesbaarheid niet in het gedrang te brengen’ (p. 44) staan er maar drie beschreven. Huh? Die drie rollen staan elk op één pagina met een plaatje erbij. Mij lijkt dat je ze makkelijk alle acht zo zou kunnen beschrijven. Een lezer voor wie dat te ver gaat, bladert er zo doorheen.

Maar goed. Lezers helpen, dat is mijn andere vak.

 

Door |2019-08-21T12:49:51+02:0021 augustus 2019|Boeken|0 Reacties

Twee lekkere leesboeken

Nog even door met m’n leesverslagen. Ik heb twee lekkere leesboeken gelezen:

Lopen voor je leven, van Els Beerten. Eigenlijk een boek voor jongeren, maar ik vond het als 50+’er ook de moeite waard. Hooguit is de opbouw wat simpel: er is ‘iets’ ergs gebeurd in het leven van de hoofdpersoon, Noor, en daar krijg je gaandeweg zo hier en daar een hint over, en pas aan het eind wordt het uitgelegd. Dat is een nogal recht-toe-recht-ane spanningsboog, die overigens wel aanzet tot doorlezen.
Dat erge inspireert Noor tot hardlopen, ze blijkt een talent, en ze loopt al op haar achttiende een marathon. Het boek telt de kilometers van die marathon af, om en om met hoe ze de wedstrijd beleeft en terugblikken op haar leven, hoe ze tot daar gekomen is. Met dat erge dus, maar ook met hardlopen als manier om vrij te zijn. Noor is zeker een sportkunstenaar!

Life’s too short to go so f*cking slow. Lessons from an epic friendship that went the distance, van Susan Lacke. Een echt heus triathlonleesboek, dat was al even geleden! Deze hoofdpersoon, Susan zelf, is niet happy met haar leven en haar lijf als ze een Ironman-triatleet leert kennen. Deze inspireert haar, ze gaat ook sporten. Lopen gaat haar al gauw goed af; het blijft altijd grappig hoe knullig Amerikanen zijn op de fiets en ook eerste-triathlon-ervaringen zijn sappig. Ze schrijft zich al heel gauw in voor ook een hele Ironman, en die finishen lukt nog ook (enigszins jaloersmakend makkelijk….). Haar leven verbetert ondertussen aanzienlijk. Maar dan wordt die vriend ziek, en maakt ze voor het eerst mee dat ze bij een wedstrijd niet kan finishen.
Haar eigen verhaal is me misschien net iets te zondagskinderig, maar het verhaal over Carlos laat zien dat het leven niet maakbaar is. In het laatste gedeelte van het boek hield ik het dan ook niet droog. Het is erg lekker geschreven!

 

Door |2019-08-19T17:20:51+02:0019 augustus 2019|Boeken, Loop, Triathlon algemeen|0 Reacties

And the winner is… anders!

Okee, ik beloofde te schrijven over de leuke boeken. Welnu, om te beginnen heb ik de afgelopen maanden een heel zwikje sporters-biografieën gelezen. Hier zes mini-recensies:

  • Marcel van Roosmalens Op pad met de dikke prins over Theo Janssen. Mijn indruk uit recensies is dat je het helemaal niks vindt óf geweldig, en ik vond het geweldig, maar ik houd dan ook heel erg van de droge observaties van Van Roosmalen. Een echt sportboek is het echter niet, het gaat bijna meer over het schrijven van een boek. Over een voetballer, dat wel.
  • Nog een voetballer: Gijp, van Michel van Egmond. Daar was ik een beetje laat mee natuurlijk, met het lezen van die bestseller van een paar jaar terug. Vond ik niet geweldig, ik vind de persoon René van der Gijp niet interessant genoeg voor zo’n dik boek.  
  • Nog een late: Mijn gevecht, van (en over) Thomas Dekker (en Thijs Zonneveld). Had ik al zo veel over gehoord en gelezen dat er weinig nieuws meer in stond, maar ik heb het wel in één ruk uitgelezen. Zonneveld kan wel schrijven, en de doping- en andere sterke verhalen blijven smeuïg.
  • Peter Post. Een fenomeen in de wielersport, van Fred van Slogteren. Een stuk minder goed geschreven en nogal afstandelijk voor een biografie, maar wel leerzame wielergeschiedenis.
  • Abdi Nageeye. Atleet zonder grenzen, van André van Kats. Bijzonder levensverhaal; Nageeye vluchtte maar liefst twee keer van Somalië naar Nederland.
  • Nog even over wielrenners dan: Anders, van (en over) Stef Clement (en Thomas Olsthoorn). Geschreven en verschenen net na het eind van Clements wielercarrière, dus zowel terugblik op een mooie carrière als heroriëntatie: Clement ontdekt de wereld buiten het wielrennen, en die bevalt hem eigenlijk veel beter dan die erbinnen. Met mijn interesse in sport als levenskunst vond ik dit het bijzonderste boek van de zes!  

 

Door |2019-08-11T16:57:39+02:0011 augustus 2019|Boeken|0 Reacties

Zomer-drukdrukdruk

Al een paar weken lang heb ik heel weinig werk, zoals meestal in de zomer, wat ik eigenlijk wel lekker vind. Dus ik ben niet druk met werk. Dus je zou zeggen: dan heeft ze wel tijd om te bloggen. Maar kijk eens aan: m’n laatste post is al meer dan 3 weken geleden. Dat komt: ik ben zo in de zomer wél druk met andere dingen:

  • Ik ben veel aan het trainen. Ik ben ineens weer helemaal fietser, als ik naar mijn logboek kijk. Ik maak lange ritten, als voorbereiding op de 180 kilometer tijdrit op 14 september, als fietser bij de trio-triathlon van Almere. Het gaat goed, al is het soms wel behelpen met het weer. Ik schrijf op dit moment eigenlijk tegen wil en dank: Jo en ik hadden vandaag in Limburg willen gaan fietsen, maar met het voorspelde onweer hebben we dat  maar niet gedaan. Het waait ook heel veel, af en toe onaangenaam veel op de fiets, en een paar weken terug was het te snikheet om ook maar iets te doen. Dus het is wat passen en meten, maar op zich gaat het trainen gewoon goed. Van veel fietsen word ik bovendien gelukkig! 
    Zwemmen en hardlopen staan op een wat lager pitje, maar ik heb wel onder andere de Boulevardloop kunnen toevoegen aan mijn palmares (ook al winderig) en een zeezwemclinic gedaan (ook al, pff… ik kwam niet tegen wind en stroming in, erg frustrerend). 
  • Ik heb genoten van de Tour de France, de wedstrijd zelf en de ‘bijverschijnselen’: de praatprogramma’s en vorige week het criterium van Wateringen. En sindsdien alweer van Remco Evenepoel (Classicá San Sebastian en EK tijdrijden) – wat een kerel. En ja, ook het overlijden van Bjorg Lambrecht liet me niet onberoerd. Ik had zelf net die dag met windkracht 5 achter mijn snelste tijd ooit gereden op het traject Vlissingen (broer) – thuis, ik kwam thuis en mijn broer appte het en op dat moment realiseerde ik me maar weer eens hoe kwetsbaar een fietser eigenlijk is.
  • Ik ben lekker aan het lezen, boel mooie en interessante sportboeken, en het is de hoogste tijd dat ik daar eens wat meer over ga bloggen. Wordt vervolgd dus.
  • Ik ben ook nog bezig met wat gezondheidsdingetjes. Ik kom bij een nieuwe chiropractor die een nieuwe diagnose heeft gesteld voor mijn bekken-heup-scheeftrekken en van wie ik nu vooral mijn linkerlies heel fanatiek moet rekken. Ik ben benieuwd wat dat me op gaat leveren. Het ging al best wel goed, maar echt weg of over was het niet. Wie weet. Ik heb ook nog steeds overgangsgedoe, of althans: ik zit nu ook in een medische mallemolen vanwege de hartkloppingen die ik daaraan wijt, dat is wel vervelend. Maar het belemmert mijn functioneren niet; ik voel me prima. De huisarts wil het alleen verder uitzoeken.
  • En verder doe ik wat zomerklusjes en ik rommel wat rond op m’n gemakje. Want ook daarvoor is het zomer!

 

Door |2019-08-09T14:12:13+02:009 augustus 2019|Fiets, Loop, Vrouwensport, Zwem|0 Reacties

Klazienaveen – staartjes

Hier nog wat nakomende zaken.

  1. Shit happens

Er zijn een heleboel deelnemers na zondag ziek geworden – op Facebook meldden zich tientallen, en eentje lag hier thuis gister de hele dag in bed: ook manlief was getroffen door iets buikgriep-achtigs. Bij mij is het beperkt gebleven tot wat onrust in mijn darmen, die mij niet zou zijn opgevallen zonder al die verhalen. Iets in het zwemwater? Iets met de bidonnenhygiène? Geen idee, mogelijk gewoon erg dikke pech. En ik mag in mijn handjes knijpen!

2. Nog wat foto’s

Van de vrouw van Dik die ik ken via het triathlonfoto: twee leuke loopfoto’s!

3. Het kanon

Was ik maandag vergeten te vermelden: dat we wel heel leuk weggeschoten werden bij de start. Met een heus kanon – BOEM – bediend door mensen in historische kleding. 

 

Door |2019-07-17T18:17:26+02:0017 juli 2019|Loop, Triathlon algemeen|0 Reacties

Seizoensdoel behaald!

Mijn triathlon-seizoensdoel van dit jaar was om een keer een halve triathlon in goeden doen te volbrengen: ik had nog nooit eerder een echte halve gedaan, en de drie keren in de buurt (twee maal de Mitteldistanz in Bocholt, in 2015 en 2017, en in 2016 een Ironman 70.3 run-bike-run) was er steeds wat. Gister in Klazienaveen was er niks: ik was in goeden doen, ik ben heel gebleven. Dus: seizoensdoel behaald! 

Ik dacht dat er in goeden doen een tijd van rond de 6 uur voor mij haalbaar was: ruwweg 40 minuten zwemmen, 3 uur fietsen, 10 minuten voor de beide wissels en dan hopen dat het lopen in 2u10 lukt – wat een snelle duurloop zou betekenen. Het is 6:08:32 geworden.

Het hangt er maar net van af wat je ‘rond’ de 6 uur noemt, maar eigenlijk had ik op wel wat sneller gehoopt, zeker op sneller lopen. Maar het lopen ging teleurstellend. Nouja, twee rondes lang lag ik nog op schema, maar toen passeerde ik de grens van een uur of 10 kilometer en zoals wel vaker lieten mijn benen me toen weten dat ze langer dan dat lopen niet leuk vinden. Het derde rondje was bepaald niet fijn; het vierde rook ik gelukkig de stal.

Ik heb uiteindelijk gemiddeld maar net onder de 7’/km gelopen, en dat is maar een fractie sneller dan de eerste keer in Bocholt, toen ik in de weken daarvoor amper had kunnen lopen door een blessure. En dat terwijl ik sindsdien beter ben gaan lopen. Boven het uur wil het alleen soms niet, en daar heb ik geen grip op. Ik krijg dan mijn ene been gewoon niet sneller meer voor het andere. Ik kwam behoorlijk stuk over de finish en heb vandaag ook nog zere benen. Gewoon moe overigens, niks stuk. Het is wel frustrerend, want op trainingen gaat het soms echt beter. Het wil er alleen vaak niet uitkomen.

Wel is 6:08 sneller dan ooit eerder op zo’n middenafstand. En verder was het ook geslaagd: 

  • Een leuk weekendje weg samen met manlief. We zijn pas vandaag teruggekomen, zodat we gister lekker konden uitzakken  met een biertje en met afloop herstelvoer in het hotel:

  • Opvallend weinig wedstrijdspanning. Ik had er juist wel zin in – zoals ik me had voorgenomen.
  • Fijn gezwommen in lekker water met stroming mee (in 35 minuten!).
  • Okee gefietst. Ik reed het gemiddelde vermogen dat ik wilde, 190 Watt, iets hoger dan bij de Brouwersdam90. Daarbij woei het best wel, en de wind stond ongunstig op het parcours, dus mijn gemiddelde snelheid lag 1 km/u lager dan bij Brouwersdam, terwijl dat een heel technisch parcours was – en mijn eindtijd lag boven de 3 uur omdat het ook nog eens dik 94 kilometer was. Over een iets saai parcours, maar wel heel overzichtelijk en met amper verkeer erop. 
  • Gezellig om een aantal bekenden van het Triathlonforum te zien en te spreken, de dag ervoor al, en na de finish, maar ook bij elkaar voorbij komen. Ook manlief kwam me twee keer voorbij: bij het fietsen en bij het lopen. Ik was hem voorbij gezwommen, dat had hij  wel gezien maar ik niet. Hij was 5 minuten voor me gestart. Met kleine kletspraatjes onderweg ben ik altijd wel blij. Net als met de reacties via Strava en andere sociale media.
  • Okee, het woei, maar verder was het zeldzaam koel voor half juli, en dat was lekker.
  • Vrijwel alles ging goed met de logistiek van het eten en drinken en de spullen. Ik wissel wel heel traag, dat verandert toch ook niet echt. Daar zijn wel redenen voor, zoals dat ik door de steunzolen m’n loopschoenen moeilijk aan krijg. Daar moet ik bij gaan zitten en een schoenlepel gebruiken. En verder vind ik snel wisselen ook gewoon niet zo interessant. Zelfs als ik de tijd neem, gaat er bovendien nog wel eens wat mis: mijn vizier zat niet goed op mijn helm zat toen ik vertrok, en net daar vlakbij de wisselzone stonden ze foto’s te maken:

Vizier scheef

     Ik heb later zelfs heel even een voet aan de grond moeten zetten om ’t goed te krijgen).

  • Het was prima georganiseerd, met een boel vrijwilligers die hun werk goed deden. Enige minpuntje was dat we in de aanloop verzopen in de overdosis informatie op site, app en facebook, terwijl er ook nog een paar fikse hiaten in de informatie zaten, zoals: je werd met een busje naar de start gebracht, kon je daar dan nog spullen afgeven? Of: waar moeten de tatoeages? 

Tatoeage op been

Als met al die goeie dingen dit is wat erin zit, dan is dat het dus, dan is dit wat ik kan in goeden doen op een halve triathlon. Daarmee eindig ik dan ver in de achterhoede: 220e van 231 finishers. Maar dat kan je ook anders zeggen: het was een NK, en ik eindigde in de top 10 van mijn leeftijdscategorie – als 10e namelijk, van 11.

Ik weet ook wel: het is niet dat ik zo ‘slecht’ ben, het is meer bijzonder dat ik op mijn niveau dit soort lange afstanden aandurf. Het gemiddelde niveau van zo’n wedstrijd is gewoon hoog. Manlief bijvoorbeeld, met z’n goede lopen, werd 12e en laatste in zijn categorie! 

Kan het beter? Ik kan wel een soort ideale wereld verzinnen waarin ik harder zou trainen op het lopen (maar dan raak ik misschien geblesseerd), net iets gedoseerder zou fietsen zodat ik meer overhoud (maar dan is de lol weg, en bovendien verlies ik dan mogelijk meer met fietsen dan dat ik kan winnen met lopen). Of, buiten mijn controle: een halve triathlon met  minder wind (maar dan was het misschien heet geweest), en in de aanloop helemaal niets tegenkomen (zoals nu de zere voeten en de verkoudheid – maar zoiets heb ik altijd wel). Maar dat is me rijk rekenen. Ik bedoel: dichterbij die 6 uur of zelfs eronder is misschien alleen maar een theoretische mogelijkheid. 

Dus: het viel weliswaar een beetje tegen, maar ik ben toch tevreden. Ik heb gedaan wat ik wilde doen, ik heb mijn best gedaan, en de uitkomst is dan sowieso okee. Dit is wat ik kan – wat mijn benen eruit weten te schudden. 

Ik ga maar eens luisteren naar die benen, in elk geval voor een tijdje: de komende tijd ga ik me beperken tot maximaal tien kilometer hardlopen. Dat bedacht ik gister al lopend. Zo van: wat zou ik als trainer mezelf nou aanraden met dat lopen? Nou, dat dus: doen wat ik wél goed kan en waar ik lol in heb. Korter lopen. En fietsen, zeker de komende tijd, met het oog op de 180 kilometer in Almere – het volgende doel! 

 

Door |2019-07-15T20:21:53+02:0015 juli 2019|Fiets, Loop, Trainer, Triathlon algemeen|0 Reacties

Wiser, kinder, stronger?

Komende zondag start ik bij de halve triatlon van Klazienaveen, mijn eerste van twee grote seizoensdoelen. Laat ik eens twee dingen toepassen die ik de afgelopen tijd geleerd heb: het proces evalueren vóór het evenement, en dat doen aan de hand van de levenskunstvragen: ben ik er wiser, kinder, stronger van geworden? Ja!

Ik heb de afgelopen maanden vooral weer veel geleerd. De highlights van wiser:

  • Van gepolariseerd trainen word ik ook een stuk sterker in het gebied dat ik dan juist oversla. Ik train al een tijdje op de fiets alleen rustige duur en hoog-intensieve intervallen (net onder omslagpunt en intensiever), en dus niet in het gebied in het midden. Sinds vorig jaar pak ik die intensieve intervallen gestructureerder aan, dankzij de vermogensmeter en dingen die ik oppikte uit The time-crunched cyclist. Vorig jaar deed ik alleen triathlons die zo kort zijn dat ik er in dat intensieve gebied in fiets. Maar een halve, dat moet in het middengebied. Hoe pakt dat uit als ik die zone nooit train? Nou, hartstikke goed. Dat weet ik al sinds ik bij de Brouwersdam90 over 80 kilometer harder fietste dan ik had verwacht – in snelheid,  maar het was ook met een lagere hartslag bij het doel-vermogen dan ik had verwacht. Ondertussen kan ik – denk ik –  een nog net iets hoger vermogen aan. Zonder dat dus specifiek getraind te hebben. Leuk!
  • Ik kan me bij zwemmen beter niet bezig houden met snelheden en interval-lengtes, en vooral met techniek aan de slag gaan – en zelfs dat niet te veel. Ik had de hele winter weinig gezwommen maar wel met veel aandacht voor techniek en was al vroeg in het seizoen weer op m’n best, qua tempo, dat verraste me al. Maar toen ging ik weer wat meer en ook wat meer op snelheid zwemmen en hop, het zakte weer weg – en zo gaat het elk seizoen. De afgelopen weken heb ik veel buiten gezwommen en binnen ter compensatie alleen maar techniek en wat sprintjes gedaan. En nu ben ik weer sneller, ook dankzij een paar nieuwe tips. Zodra ik iets anders ga doen dan een beetje relaxed en op techniek zwemmen, ga ik áchteruit. Ik kan  me er beter niet druk om maken, of om niets anders dan techniek. Ik snap het nog steeds niet precies, maar het pakt gelukkig nu wel net goed uit!
  • Met mijn langdurige bekken/heup/schouder-scheeftrek-blessure gaat het volgens mij op het moment goed dankzij een combinatie van dingen. Ik probeerde hiervoor altijd  maar één ding tegelijk uit, ook om te weten wat wel en niet werkte, maar de afgelopen tijd heb ik op meerdere fronten gestreden: steunzolen, osteopaat en een nieuwe, wat ‘mildere’, chiropractor.  En het gaat eigenlijk hartstikke goed. Als ik al eens ergens last van heb, is dat nooit lang en komt het vanzelf weer goed, of met een klein zetje van de chiropractor. Daar ben ik blij mee! Het zijn mogelijk vele kleine dingen die helpen, niet één geval van DE oplossing.  
    Het heeft wel weer veel geld en tijd gekost en de steunzolen hebben mijn enige echte twijfelpunt voor zondag veroorzaakt: gevoelige voeten. Ik voelde hele tijd pijntje hier, pijntje daar rond de bal van de ene en dan weer de andere voet. De afgelopen week heb ik er probleemloos mee kunnen hardlopen, vorige week zelfs best lang en zwaar ook nog, waarmee ik qua lopen redelijk op niveau ben. Gister een lange werkdag op nette schoenen was echter weer minder fijn. Maar ik hoop dat het zondag goed komt. 

Met Nicole na de Kadeloop zaterdag: 12 probleemloze kilometers op halve-triathlontempo

Kinder? Ja, voor mezelf. Voor mij was het een mildheidsstap om van mezelf vorige week zo’n paardenmiddel te gaan slikken tegen die luchtwegproblemen – die daarmee binnen een paar dagen opgelost waren. Of nouja, na twee nachten kon ik weer slapen zonder te hoesten; ik ben nog steeds heel licht snotterig maar dat hindert niet meer. Ik heb het van mezelf niet uit ‘moeten’ zieken omdat je van ontstekingsremmers op lange termijn niet beter wordt en prednison eigenlijk een pepmiddel is (wat goed merkbaar was overigens), enzovoort. Want zo streng kan ik wel zijn voor mezelf.

Dat het op tijd goed is gekomen, is balsem voor mijn doemdenkerige ziel. Ik ben al zo vaak net niet in goeden doen geweest op belangrijke momenten de afgelopen jaren dat ik af en toe ga vrezen dat het altijd zo gaat. Van het niet kunnen meedoen met de Cave triathlon was ik wel weer even mismoedig, moet ik zeggen. Maar het komt goed! De verkoudheid was op tijd over, scheeftrekken doe ik amper meer en de overgangshormonen houden zich, zoals ook de vorige drie zomers, rustig. En zoals ook de laatste jaren steeds komt er dan onder al het gesukkel wel een goede vorm vandaan. Kwestie van gewoon stug volhouden met dat trainen, zo lang als het gaat! 

Stronger? Als het zondag uitpakt zoals ik hoop en in principe voor mogelijk houd (binnen de 6 uur), lever ik op een langere triathlon mijn beste prestatie ooit. Ik ben er klaar voor, en ik ben hartstikke benieuwd! 

 

Door |2019-07-12T15:49:03+02:0012 juli 2019|Fiets, Loop, Triathlon algemeen, Zwem|1 Reactie

Elk nadeel hep z’n voordeel

In mijn vorige post had ik het over een verkoudheid die ‘niet heel erg was’. Nou… Nouja, eigenlijk is het nog steeds niet erg: ik ben niet heel ziek, maar zodra ik ga liggen, ga ik hoesten, en dat nu al vier nachten achter elkaar. Codeïne helpt niet (anders altijd wel); van slapen komt weinig. Ik ben inmiddels een soort zombie en elke nacht voelt het alsof ik mijn keel aan flarden scheur. 

Al in de tweede doorhoeste nacht besloot ik dat ik niet zou gaan starten bij de Cave triathlon gister, hoe zeer me dat ook spijt. Samen met manlief hebben we de volgende ochtend besloten helemaal niet naar Limburg af te reizen. Zodoende heb ik gelukkig niet twee nachten liggen hoesten in een hotelkamer, maar gewoon thuis, wat beter is. En zoiets zwaars als een 111 met klimmen erin was niet verstandig geweest.

Vandaag ben ik zelfs naar de huisarts gegaan en ik heb een behoorlijk paardenmiddel gekregen om de hoest de kop in te drukken: prednison. Dat is een primeur voor mij – met mijn hyperreactieve luchtwegen heb ik al het een en ander meegemaakt, maar dit nog niet eerder.  

Dus: geen Cave triathlon, helaas, en inmiddels ook wel stevige hindernissen op de weg naar Klazienaveen, want lang of zwaar trainen gaat niet – al kan dat nog wel enigszins goedkomen. Het voelt alsof ik al enorm geholpen zou zijn met één nacht echt goed slapen en daarmee uit de vicieuze cirkel komen van het kapothoesten van m’n keel.

Bovendien is het ook niet alleen maar kommer en kwel. Woensdag en donderdag voelde ik me niet eens zo heel slecht, dus woensdag heb ik – met wat twijfels – toch meegedaan aan de zeezwemtocht Kattendijke-Wemeldinge, donderdag heb ik een stukje hardgelopen, zolen uittestend en zonder voetproblemen, en gister heb ik meegedaan aan onze ’thuiszwemtocht’: de Unltd Swim Overschie (dank buurman Olaf!): bij ons achter in de Schie, vertrek vanaf de Grote Kerk, waar ook de kleedkamer is (erg grappig). Hetzelfde nieuwe rondje om het Schie-eiland als wat we al vaker gezwommen hebben, maar nu zonder dat we op schepen hoefden te letten. Altijd erg leuk, we vonden het al jammer het te moeten missen. Maar dus niet.

De twee zwemevenementen waren een groot contrast: de Schie lag er gister rustig en warm (bijna 25 graden!) bij en dat zwom heel relaxed. De Oosterschelde was woensdag door de Noordenwind in een klotsbak veranderd; ik heb geen slag normaal kunnen maken en er 20 minuten langer over gedaan dan de vorige keer. En dat viel nog mee, want Omroep Zeeland meldde dat er deelnemers waren uitgevallen vanwege zeeziekte! 

Tot slot hebben manlief en ik vanochtend eindelijk weer eens met onze trapkano gevaren, en zo konden we het nieuwe zwemrondje eindelijk eens preciezer opmeten dan wat lukt met de zwem-GPS: 2050 meter

We konden dat doen op zomaar een maandagochtend omdat we eigenlijk pas vandaag uit Limburg terug zouden komen. Best gekke dagen zo. Om over de nachten nog maar te zwijgen…

 

Door |2019-07-01T15:27:59+02:001 juli 2019|Triathlon algemeen, Zwem|0 Reacties
Ga naar de bovenkant