Boeken

Taperen

Het is een hele tijd geleden dat ik zo echt getaperd heb als nu. Taperen is het ervoor zorgen dat je alle restantjes vermoeidheid van de trainingen wegwerkt en optimaal voorbereid aan de start van een wedstrijd staat. Rusten is daarvoor het belangrijkste ingrediënt, vandaar dat je het niet te vaak moet doen, want het kost je nogal wat trainingen. Maar voor een belangrijke wedstrijd is het verstandig.

Mijn vorige belangrijke wedstrijd was die in Bocholt geweest, de middenafstandstriathlon, maar toen dacht ik dat ik vanwege de blessureproblemen toch niet zou gaan finishen, en dat scheelt nogal voor de mentale kant van de zaak. Maar ook fysiek was rusten niet nodig, want ook vanwege de blessure had ik niet heel veel getraind.

Nu wel, en ik heb de trainingsinspanning dan ook sinds vorige week drastisch teruggeschroefd. Bovendien doe ik mijn best net een  klein beetje beter dan normaal voor mezelf te zorgen met voeding, slaap, rekoefeningen en ontspanning.* Het gaat daarbij niet alleen om mijn lichaam, maar zeker ook om mijn geest. Ik las het gister nog maar eens toen ik voor wijze raad nog maar weer eens door The Lore of Running bladerde: het lopen van een marathon is vooral een mentale kwestie, waarbij je geest zich niets moet aantrekken van de geluiden die onherroepelijk uit je benen gaan komen die je manen tot stoppen.

Ik heb dat tijdens de duurlopen ook ervaren: fysiek er dan eigenlijk niet zo veel aan de hand, ja, een beetje vermoeidheid, maar er is niks stuk ofzoiets. Desalniettemin klinkt er een behoorlijk opdringerig stemmetje dat vraagt om alsjeblieft op te houden met deze ongein en te gaan wandelen. Dat stemmetje de mond snoeren, dat kost wilskracht, en dat is wat lang lopen zwaar maakt. Het is ook voor mij aan mijn eerste marathon de grote onbekende: hoe ga ik straks met dat stemmetje om? Op ‘de dag’ kan ik altijd meer, maar hoeveel meer, en hoe zal dat gaan?

Noakes beschrijft in zijn boek hoe je ook je geest voorbereidt op het afzien. Vanochtend moest ik daaraan denken. Ik had geen wekker gezet, ben al weken toch eerder dan dat wakker. Maar vanochtend nogalliefst een uur later – oeps! Nouja, geen man overboord, en als ik met dat uitslapen mijn wilskracht wat kan opladen, dan is het helemaal prima. Ik moet hem in elk geval  niet deze week al opgebruiken!

En oja, bij taperen hoort ook dit soort wedstrijdvoorbereiding, het begint iets minder zinloos te worden (zie deel 3 en daaraan voorafgaande):

weer4

 

* Waarom doe ik dat niet altijd, dat beetje beter voor mezelf zorgen? Nouja, dat doe ik heus wel, maar deels lukt dat beetje extra gewoon niet altijd, want werk is net nu even rustig, waarop ik zelf heb aangestuurd overigens. En deels gaat het nou juist bij taperen om dat beetje extra, hoe dan ook. Dus als ‘gewoon’ al beter zou zijn, zou het nu nóg beter mogen. En zo blijf je bezig. 😉

Door |2015-11-09T17:15:31+01:009 november 2015|Boeken, Loop|0 Reacties

Kippenvelverhaal

FlapOja, dat filmpje van de Donorweek toen… met die triatleet die nog gauw even onder de naar beneden komende spoorbomen doorschiet. Dat hele filmpje was natuurlijk totaal over the top en daarom erg goed in het bereiken van zijn doel. Ik weet nog wel dat ik me toen verbaasde over de discussie en uiteindelijk ook over de uitspraak dat het ‘kwetsend‘ zou zijn.

Hoe kom ik daar nou op? Omdat ik net het hele verhaal van de hoofdpersoon uit dat filmpje heb gelezen, Wouter Duinisveld: De hartslag van een ander. Van transplantatie naar triathlon, door Marcia Jansen als ghostwriter (want het boek staat in de ik-vorm). Het is een verhaal waarvan je al kippenvel krijgt bij de samenvatting: bij een gezonde, sportieve jonge kerel slaat een griepvirus op zijn hart en dat overleeft hij maar net. Na vijf maanden ziekenhuis is het daarna wachten op een donorhart. Dat komt, en daarna pakt hij langzaam-maar-zeker en met een boel tegenslagen (o.a. door infecties vanwege het onderdrukte immuunsysteem dat afstoting van het donorhart moet voorkomen) het sporten weer op, om uiteindelijk een Ironman te voltooien.

Zo. En dan begint het boek ook nog eens met een aangrijpend voorwoord aan zijn beide kinderen, want hij weet niet of die hem lang bewust gaan meemaken. Want triathlon of niet, de levensverwachting van een getransplanteerde is niet zo hoog. Ik had bij het voorwoord al vochtige ogen, en de hoofdstukken daarna, over zijn ziekte, het wachten, de transplantatie en het herstel, heb ik ademloos uitgelezen.

Daarna vond ik het boek ietsje taaier. Het blijft weliswaar toegankelijk geschreven, maar de herhaling van sportsucces-tegenvaller-sportsucces-tegenvaller wordt wat saai, zeker omdat de uitkomst al bekend is. Een betere schrijver had daar iets spannenders van kunnen maken, bijvoorbeeld van de keer dat hij zich ten onrechte veel zorgen maakte over een zere teen. Of iets diepgaanders, want wat hem beweegt blijft net iets aan de oppervlakte, zeker omdat sporten voor hem niet zonder risico is. Zijn omgeving zit daar nogal mee. Sporten – ja. Maar een Ironman? En ook dat van dat filmpje had verder uitgediept kunnen worden.

Nou is Duinisveld geen sportieve Mr. Average: in zijn jeugd zat hij bij de nationale jeugdselectie van rugby. Hij had dus al een bovengemiddelde sportieve aanleg. En hij heeft daarnaast ook een enorme dosis optimisme en doorzettingsvermogen – anders was hij nooit zo ver gekomen. Dat is indrukwekkend aan dit verhaal, waarin ik wel wat herken van de verhalen van topsporters, die zijn op die gebieden ook echt anders dan gewone stervelingen (en enigszins vervreemdend vind ik dat altijd ook, maar dat terzijde).

En ik vind het superknap dat Duinisveld met een begrensde hartslag een Ironman volbrengt in 13 uur en 37 minuten. Dat moet ik met m’n eigen hart eerst maar eens zien te halen!

Door |2015-10-16T17:30:07+02:0016 oktober 2015|Boeken|0 Reacties

Vind ik lang hardlopen wel leuk genoeg?

Ik moest eens even in de spiegel kijken… aanleiding waren een paar negatieve redeneringen over lang hardlopen. Ik betrapte mezelf er bijvoorbeeld op dat ik dacht ‘ik wil best graag een keer de Kustmarathon lopen, maar ik denk niet dat ik het na mijn Ironman ooit nog op ga brengen om nog een keer voor een marathon op te bouwen’ (misschien doe ik hem er dus achteraan, zie hier). En tijdens de eerste duurloop van 30 kilometer ooit voor mij, gisteren, zat ik er mentaal compleet doorheen. Ik heb nogal wat stukken moeten wandelen, want dat eindeloze gesjok door de polder in m’n uppie, ik was het spuugzat.

En dan heb ik van die gedachten als ‘zie je wel, lang hardlopen is niks voor mij’ en ‘ik vind dit eigenlijk helemaal niet leuk’ en ‘mijn benen zijn hier absoluut niet voor in de wieg gelegd’ en ‘fietsen vind ik veel leuker’ en, en, en…

Dus ik moest eens even goed in mijn ziel boren: vind ik dat lange hardlopen eigenlijk wel leuk genoeg? Of ben ik mezelf iets verschrikkelijks aan het aandoen, omwille van de marathon en de hele triathlon? Zit ik iets ontzettend te forceren vanwege dat heilige doel, iets wat mijn lijf eigenlijk helemaal niet wil?

Ja en nee. Ja, want makkelijk gaat het niet. Of althans, soms niet. De 30 kilometer van gisteren waren k*t (misschien vanwege de plotselinge kou?), de 28 van een dikke week eerder liep ik fluitend. Die wisselvalligheid heb ik maar te accepteren, en net zoals ik niet na zo’n goeie te hard ‘jippie’ moet denken, moet ik ook niet na een slechte in zak en as zitten. Maar lang hardlopen gaat zeker niet vanzelf bij mij, ik bevecht die kilometers met veel meer moeite dan op de fiets.

Nee, want afgezien van een soort sjokkerige vermoeidheid gaat het goed – ik ben blessure- en pijnvrij, ondanks dat ik meer kilometers maak dan ooit tevoren. Als het écht niets voor mijn lijf was, zou het mij dat wel met meer klem vertellen, daar vertrouw ik op.

En nee, want ik wil dit wel graag. Wat mij motiveert, ik blogde er al eerder over, is het verleggen van mijn grenzen. Kan ik dat, een marathon, een hele triathlon? Het is één groot experiment en dat is niet altijd leuk of makkelijk. Maar het experiment houdt me gaande. Het is vooral daarom dat ik denk: ik weet niet of ik het hierna ooit nog opbreng. Want een twééde marathon of Ironman, daarbij verleg ik die grenzen niet, of althans, hooguit in snelheid, maar voor zo’n slak als ik is dat amper de moeite.

Vandaar: voor nu is het okee, maar hierna, geen idee. Tien kilometer is ook een mooie afstand.

Wel weet ik: zeg nooit nooit.

 

 

Door |2015-10-13T17:59:10+02:0013 oktober 2015|Boeken, Loop, Waarom|0 Reacties

Over drie tijdschriften

1. Deze week verscheen Fietssport Magazine, met daarin een column van mij over fietsen – over zin in sex en fietsen, zelfs! Het is een bewerking van een column die online staat op mijn zakelijke weblog. De vormgeving is grappig: de vette kop ‘zin in sex’ staat pal naast een fietsfoto van mij, waardoor het lijkt alsof ik fietsend enorme zin heb. Dat is niet helemaal de strekking van de tekst, maar het is wel grappig! De column is een soort nagekomen fietsvrouw-column, en het contact daarvoor is tot stand gekomen door een ander stukje in datzelfde blad, namelijk een berichtje over de Vrouwentriathlon. Dat is dus ook van mijn hand.

2. Ik kon Pedala niet laten liggen, het nieuwe tijdschrift ‘voor vrouwen die fietsen’. Nou ben ik een vrouw die fietst, maar dit blad is absoluut niet voor mij. De interviews erin, o.a. met Nicolien Sauerbreij, zijn leuk, maar verder ervaar ik zowel de toon als de inhoud als zeer oppervlakkig. Het is duidelijk voor jonge beginners, en zelfs toen ik jong begon, voelde ik me niet aangesproken door formuleringen als deze op p. 47:

Zeem
Niet schrikken als je zo’n fietsbroek voor het eerst in het echt ziet. Daar waar je kruis zit, zit een zeem genaaid. Dat hoort. Sterker nog: dat is een goed idee.

De diepgang in de informatie is navenant, en het moet duidelijk vooral ook allemaal ‘leuk’ blijven. Ik weet dat er voor (jonge?) vrouwen vaker zo geschreven wordt, maar ik vind het niks. Waarom zou je vrouwen dommer aanspreken dan ze zijn? En jammer dus dat zo’n blad de doelgroep zo beperkt. Daarover zijn meer vrouwen het eens, zo blijkt uit de inmiddels al drie pagina’s tellende discussie over op het Fiets-forum over PedHappi body (cover)ala, waar ik me ook aardig in roer.

3. En toen ik toch in de kiosk was… in de Happi Body, een special van Happinez, staat een artikel ‘Sporten: goed voor je ziel’.  Het zijn ’tien spirituele redenen om jezelf in het zweet te werken’ en ik herken ze alle tien. De eerste is bijvoorbeeld ‘Je ontmoet jezelf’, en daarin gaat het erover dat je je van sport levend gaat voelen tot in de kleinste haarvaatjes van je lijf. Misschien is dat voor mij de ultieme reden om te sporten. Ook een mooie vind ik nummer 9: ‘Je wordt er wijzer van’, over sport als bron van levenslessen.

 

 

Door |2015-04-17T17:14:24+02:0017 april 2015|Boeken, Vrouwensport, Waarom|0 Reacties

Fast after 50: wat is normaal?

Cover boekIk ben nog 10 maanden lang niet de doelgroep van dit boek, maar een gewaarschuwd mens telt voor twee en ook op m’n 49e vond ik Fast after 50 van Joe Friel de moeite waard. Ik houd ervan als een boek me aan het denken zet, en dit boek heeft dat zeker gedaan, vooral over de vraag: wat is eigenlijk ‘normaal’ ouder worden?

Aan het begin van het boek betoogt Friel dat ons beeld van ‘normale’ veroudering gebaseerd is op wat we onze eigen en de oudere generaties zagen doen, en daarvan is bekend dat het grote gros er geen gezonde levensstijl op nahoudt, inclusief te weinig bewegen. En dus takel(d)en die ouderen gemiddeld waarschijnlijk meer af dan wat je ‘normaal’  zou kunnen noemen: gemiddeld is niet per se normaal.

Friel komt met allerlei cijfers en voorbeelden waaruit blijkt dat tot op hoge leeftijd fit blijven mogelijk is, en dat bijvoorbeeld verlies aan spiermassa niet zo dramatisch hoeft te zijn als ons ‘gemiddeld’ wordt voorgespiegeld. Dat is een hoopvolle gedachte, die aansluit bij wat Friel ook betoogt: dat je zo oud wordt als je denkt te zijn. Als het bijvoorbeeld in je beeld van ouder worden past dat je dan ‘rustig aan’ hoort te doen, dan kak je harder in dan nodig is. Dat overkomt veel duursporters: eenmaal een dagje ouder blijven ze nog steeds veel trainen, maar vooral in de lage hartslagzones. Intensieve en krachttraining doen ze niet meer, en dan geldt ‘use it or lose it’ genadeloos: je raakt dan een boel vermogen kwijt.

Volgens Friel is de sleutel voor tot op hoge leeftijd fit en snel blijven dan ook: intensief trainen. Het grootste deel van het boek boek is gewijd aan uitleggen hoe je dat als oudere kunt bereiken. Dat gaat tot op het niveau van voedingsadviezen en concrete trainingsschema’s met minuten per type interval. Maar ook met leuke vondsten: als je én intensief wilt trainen, én op kracht, én op duur, én je hebt vanwege je hogere leeftijd meer hersteltijd nodig, dan zitten er algauw niet genoeg dagen in een week voor je hele trainingsschema. Nou, zegt Friel, dan maak je je weken gewoon langer en baseer je je trainingen op een ritme van 8 of 10 dagen. Dat kan makkelijker als je eenmaal met pensioen bent en de weekends niet langer een ritme van 7 dagen afdwingen. Slim!

Zo kun je dus, als je maar wilt, tot op hoge leeftijd trainen, progressie maken, aan wedstrijden meedoen. Maar op dat punt aangekomen kreeg mijn denken over dat ‘normaal’ nog een tweede duwtje: is het wel ‘normaal’ om boven de 70 nog steeds in de weer te zijn met trainingsschema’s, seizoensdoelen en wedstrijden winnen? Is dat niet veel ego, krampachtig jong willen blijven? Is het niet ‘normaal’ om bij het ouder worden minder prestatiegericht te zijn, en om meer in het algemeen wat onthecht te raken – zodat je uiteindelijk het leven zelf kunt loslaten? Over dat de dood onherroepelijk dichterbij komt gaat het bij Friel niet, en ook niet over wat dat doet met je ziel.

Wél over dat blijven presteren in de eerste plaats van motivatie afhangt, maar die motivatie neemt hij aan. Fast after 50 is bestemd voor sporters die die motivatie wel nog hebben, en die daarin dus sterk verschillen van de ‘gemiddelde’ oudere. Of dat normaal is? Ik weet het niet. Ik weet in elk geval wel dat het voor veel mensen ook al niet normaal is om je als 49-jarige vrouw druk te maken om je sportieve prestaties, dus wie ben ik om een oordeel te vellen? Dat wil ik ook niet – erover mijmeren wel.

Wat daarbij komt, dus bij dat gemijmer, is dat ik nog niet overtuigd ben van Friels betoog. Hij haalt onderzoeken aan waaruit blijkt dat mensen die tot op hoge leeftijd (intensief) sporten zo veel fitter zijn dan niet-sportende leeftijdgenoten. Maar misschien is dat alleen een correlationeel, geen causaal verband. Ik bedoel: misschien verouderen die mensen wel langzamer, en blijven ze daarom tot op hoge leeftijd actief in sport en gemotiveerd om veel te doen. Anders gezegd: blijven ze jong omdat ze sporten, of sporten ze omdat ze jong blijven? Ik zag afgelopen zondag als vrijwilliger bij CPC een vrouwelijke 55+-topper die ik 35 geschat had, niet alleen qua loopsnelheid (1u19 of daaromtrent op de halve marathon), maar ook qua huid, haar en silhouet. Zo’n lichaam is extreem, abnormaal – in haar voordeel. Maar dat wil niet per se zeggen dat als ik maar veel blijf hardlopen, ik ook 35 blijf lijken.

Brengt me op één puntje dat me teleurstelde: Fast after 50 besteedt maar 3 pagina’s specifiek aan vrouwen, en dan vooral in het kader van de strijd tegen het toenemende lichaamsvet. Het begint met:

Science still has a lot to learn about the human body. That’s especially true when it comes to menopause and the aging female athelte.

Als dat zo is, dan kan Friel daar niet zo veel aan doen – maar het lijkt wel een beetje te impliceren dat de hele rest van zijn verhaal alleen uitgaat van (kennis over) mannen. De meeste ervaringsverhalen zijn ook van mannen. Hmm, jammer. Ik had al eerder gezocht naar informatie over sport en de overgang, dit is de tweede teleurstelling op dat gebied – nouja, er gaat één ervaringsverhaal over.  Ik blijf zoeken, en zal op dit weblog melden wat ik vind.

 

Door |2015-03-13T18:04:30+01:0013 maart 2015|Boeken, Vrouwensport|0 Reacties

Herkenbaar en toch ook weer niet

chrissieTijdens het lezen van A life without limits van Chrissie Wellington had ik momenten dat haar verhaal frappant dichtbij kwam: dan herkende ik iets, meer dan bij het lezen van de andere triathlonboeken. En dan denk je: dat is omdat ze een vrouw is – nouja, misschien, maar één van de meest verrassende overeenkomsten tussen haar en mij heeft daar toch niet veel mee te maken: ook op Wellington maakten ooit Live Aid en Band Aid en de bijbehorende beelden van de hongersnood in Ethiopië een grote indruk, zo groot dat ze voor de rest van haar leven betrokken is bij ontwikkelingssamenwerking. Dat geldt ook voor mij: die acties openden mij de ogen voor de onrechtvaardigheid op de wereld, en ook al ben ik, net als Chrissie, inmiddels sadder and wiser over de rol van hulp, toch heeft het thema me nooit meer losgelaten. Opvallend vind ik wel dat Chrissie nog maar 8 was ten tijde van die acties (ik 19). Ze was er vroeg bij, zal ik maar zeggen.

Iets anders wat ik herken, is Wellingtons enorme drive om zichzelf te verbeteren, die, als hij uit de verkeerde hoek komt, desastreus uitpakt. Ik ken dat uit mijn burn-out; Wellington vertelt vanaf het begin van het boek over haar eetproblemen. Ze zegt ook eerlijk dat de maniakale manier waarop ze zich op haar sport gestort heeft, een verplaatsing van die naar verslaving neigende energie is. Onduidelijk is waar haar ‘nooit goed genoeg’-overtuiging vandaan komt en of ze hem inmiddels heeft weten om te buigen naar een positievere. De drive hoeft daarvan niet minder te worden, wel gezonder gericht (spreek ik uit eigen ervaring).

Maar er zijn ook dingen die ik totaal niet herken. In de eerste plaats is dat Wellingtons buitengewone talent. Ze gaat wat hardlopen, naast een zware baan, ze doet maar wat, loopt de marathon van Londen… en finisht in 3u08. ‘I simpy ran’, schrijft ze, en echt moe is ze er niet van geworden. Vervolgens rolt ze de triathlon-sport binnen, en binnen een paar jaar heeft ze talloze wereldkampioenschappen en -records op haar naam staan. In het boek wordt het bijna saai: wéér een overwinning, wéér een record, wéér een kampioenschap. Maar het is natuurlijk een uniek verhaal, dat ook maar weer eens laat zien hoe buitengewoon getalenteerd topsporters zijn. Gewone stervelingen zouden bezwijken onder wat zij succesvol aankan – ze werd pas laat prof zelfs, dus het begin van haar triathloncarrière vond plaats naast een ambitieuze baan!

En wat ik ook niet herken, is hoe neuzelig je wordt van topsport. Het gaat in één hoofdstuk wel heel uitgebreid over het drama van een stevige verkoudheid – ze pikt dan net voor het wereldkampioenschap een virus op, en kan niet meedoen. Tsja, ziek zijn, het overkomt iedereen wel eens. Maar voor een topsporter is zoiets een mega-ramp. Op dat soort momenten ben ik blij dat ik dat navelstaren niet herken. Maar zo’n sterk lichaam, zo veel talent, daar ben ik wel een beetje jaloers op, hoor!

Door |2015-02-24T12:53:20+01:0024 februari 2015|Boeken|0 Reacties

Te lezen met korrel zout

Rond de tijd dat ik dit blog startte, las ik Iron War van Matt Fitzgerald. Ik vond het een fantastisch boek. Het is een niet alleen een spannend verhaal over de grootste strijd in de geschiedenis van de triathlon, die tussen Dave Scott en Mark Allen tijdens het WK Ironman op Hawai in 1989. Het is ook een serieuze reflectie op duursport en de beoefenaren daarvan: waarom doen die mensen het, wat is er mooi aan zo lang pijn te lijden, hoe kun je hun gemeenschap karakteriseren, wat voor persoonlijkheden zijn het, wat maakt hen winnaars?

Ik heb het ademloos uitgelezen en er ook nog wat van geleerd, en dacht dus ook er een kort na de start van dit blog een enthousiaste post over te plaatsen. Dat was er nog niet van gekomen, en dat is geen toeval. Want toen ik op het Triathlon-forum op zoek ging naar nog zo’n goeie boekentip (dat werd uiteindelijk The Hurt Artist), viel mijn oog op de link naar de open brief van Scott en Allen over Iron War: beiden distantiëren zich van het boek. En toen werd mijn enthousiasme een stuk getemperd, en kwam die blogpost er maar niet van. Nouja, nu dan.

Punt is dat Fitzgerald de schijn opwekt dat zijn boek feitelijk, journalistiek is. Hij geeft bijvoorbeeld zelfs een flinke lijst bronvermeldingen en hij heeft het over persoonlijke gesprekken met de belangrijkste betrokkenen. Volgens Scott en Allen is het echter meer fictie dan werkelijkheid. Dát het mogelijk meer Fitzgeralds idee van de werkelijkheid is dan de feiten zelf, dat vind ik niet zo’n punt: auteurs hebben veel vrijheid. Maar hij wekt een andere suggestie. Daardoor is het boek lastig te plaatsen.

Wat het nóg lastiger maakt, is dat ik me ook kan voorstellen dat Allen en Scott zich op hun je-weet-wel getrapt voelen omdat ze niets terug hebben gezien voor hun inspanningen voor het boek. Of misschien ook wel omdat de karakteranalyse hen niet zint? Scott komt er nogal neurotisch uit naar voren, vind ik, altijd bezig met z’n vader bewijzen dat hij echt wel wat voorstelt. En Allen lijkt juist zweverig met z’n sjamanisme. Is het verschil tussen de mannen uitvergroot om het verhaal spannender te maken, en pikken ze dat niet? Als simpele lezer kom  je er niet achter. Ik ben er niet bij geweest, ik ken de heren niet anders dan door de ogen van Fitzgerald.

Hoe dan ook, ik vond het een geweldig boek, maar misschien is het dus veel meer fictie dan het lijkt. Als ik dat eerder had geweten, had ik het denk ik nog steeds met veel plezier gelezen. Ik kan het dus zeker aanraden. Maar lees het met een korrel zout.

Door |2015-01-14T11:16:49+01:0014 januari 2015|Boeken|0 Reacties

Junkies

Lees ik daar ineens twee boeken van junkies achter elkaar…. en eentje ervan gaat ook over triathlon, daarover straks meer.

Eerst over het andere boek. Dat is Christiane F. Mijn tweede leven. Ik wilde dat graag lezen, omdat Christiane F’s boek uit de tijd dat ze nog een Kind vom Bahnhof Zoo was diepe indruk op me heeft gemaakt. Toen ik het las, was ik 16. Christiane was op haar 14e al heroïnehoertje, en ik realiseerde me dat mij dat niet meer zou overkomen.

Ik leerde zo een les die me altijd is bijgebleven en die ik nog steeds ook wel vertel, met bronvermelding, want hij lijkt alleen maar relevanter te worden naarmate ik ouder word: we zijn geneigd het afsluiten van mogelijkheden door het ouder worden alleen maar negatief te interpreteren, als het verlies van kansen, maar het is ook positief: een verlies van risico’s.

Ik bedoel: ik zal nooit meer zo ver komen met sport als wanneer ik vroeger was begonnen, ik noem maar wat. Maar ik zal ook nooit meer zo diep zinken. Christiane is nog steeds maar ietsje ouder dan ik, en zij zit erop te wachten tot haar lever het definitief begeeft na al die jaren van drank en drugs. En zo zijn er op mijn leeftijd al heel wat meer mensen die bijvoorbeeld niet eens meer kunnen sporten omdat het leven zijn sporen heeft nagelaten. Ik ben dankbaar voor wat ik wel kan.

Nouja, dat inzicht dank ik dus aan Christiane F, en toen ik hoorde dat ze een vervolgboek had geschreven, wilde ik dat dus wel lezen. Zag ik het vrijdag ook nog voor een prikkie op de Lichtjesavond liggen… mooi!

Nouja, mooi… het is niks, vind ik. Jammer. Het is slecht geschreven (rommelig, hak-op-de-tak, weinig diepgang, herhalend, af en toe niet te volgen) en het is een onduidelijk jankverhaal over hoe alles misgaat in haar leven en dat komt onder andere door dat eerste boek. Had dan geen tweede geschreven, denk ik – terwijl ze van dat eerste rijk is geworden en haar verslaving voor de rest van haar leven heeft kunnen bekostigen. Vooral het einde, waarin ze paranoïde lijkt te zijn, is heel raar. Nou goed, gauw vergeten.

Ook het andere junkie-boek vond ik maar matigjes geschreven. Ook weer veel herhaling, vooral in de vele reflecties op ‘ojee wat was ik vroeger erg’. Toch kon het me wel meer boeien dan de volwassen Christiane F. Misschien heeft dat ermee te maken dat de levens van de twee auteurs zo verschillen: Christiane F heeft de drugs nooit achter zich kunnen laten. Shane Niemeyer lukt dat wel, en hij wordt vervolgens succesvol triatleet. Daarmee is het verhaal van The Hurt Artist. My journey from suicidal junkie to Ironman echter ook wel grotendeels verteld.

Na een zelfmoordpoging en afkicken verruilt Niemeyer de ene mateloosheid voor de andere, want hij gaat excessief sporten. Dat hij daar zo ver mee komt (deelname op Hawai, het summum voor triatleten en heel moeilijk om je voor te kwalificeren; zie hier) is een teken van zijn grote talent. Gelukkig leert hij ook wel een beetje beter met zichzelf omgaan, en zo eindigt dit boek dus juist hoopvol en ook ontroerend. Sowieso wist het me meer te raken dan de volwassen Christiane F.

Bij beide boeken speelt een vergelijking me parten: Christiane F met haar eerdere boek; The Hurt Artist met de twee geweldige triathlonboeken die ik kort ervoor gelezen had. En beide vallen dan dus tegen. Maar in een onderlinge vergelijking wint The Hurt Artist dan weer wel met vlag en wimpel.

Zo blijf ik dus bij mijn standpunt: over triathlon wordt mooi geschreven.

Door |2014-12-23T11:43:55+01:0023 december 2014|Boeken|0 Reacties

De onopzettelijke Ironman

Afgelopen weekend mijn eerste leuke triathlonboek gelezen. Het was pas mijn tweede triathlonboek ooit, en het eerste was The Triatlete’s Training Bible, en dat las ik meer om van te leren, wat overigens ook leuk is, maar toch anders – want The accidental Ironman is vooral hilarisch – al is het alleen maar vanwege de ondertitel ‘how triathlon ruined my life’. Valt overigens wel mee, hoor, dat ruïneren. Zelfs zijn relatie overleeft al z’n gekkigheden en z’n vele getrain. Zijn vrouw vergeeft het hem  kennelijk zelfs dat hij zo nodig op haar 40e verjaardag een marathon moet gaan lopen – in Zweden nogalliefst.

Het is dus heel erg grappig, met die typische Britse humor en enorme zelfspot – en dan zijn waarschijnlijk nog een boel grappen me ontgaan vanwege de subtiele taaldingen en de vele hints naar Britse omstandigheden en actualiteit. Brunt neem de hele triathlonwereld op de hak, met z’n ijdele imponeergedrag en z’n gadget-manie bijvoorbeeld. Maar hij neemt dus vooral zichzelf op de hak, ook al mogen zijn prestaties er best zijn. Althans, sommige, want soms klooit hij vooral maar wat aan. Zo doet hij zijn eerste marathon en triathlon zonder veel training of voorbereiding, en ja, dan gaat er van alles mis. Maar zo ‘accidental’ is alles nou ook weer niet. Althans, we rollen er allemaal enigszins in, en van het een komt dan het ander, en dat is bij hem niet anders.

Wat hem daarbij precies drijft, daarvoor moet je wat tussen de regels door lezen. In elk geval is hij kennelijk nogal beïnvloedbaar, want er hoeft maar iemand uit zijn sportvriendenkring te roepen ‘doe je ook mee aan X?’ of hij doet het, ongeacht of dat nou een Ironman is of een loopje om de hoek. Heel eerlijk is hij als hij opbiecht dat je je als veeltrainende triatleet superieur kunt voelen aan het klootjesvolk dat maar wat komt ronddobberen in het zwembad, of dat helemaal de bank niet afkomt en daar dik zit te worden. Geen fraaie gedachten en je leest ze dan ook niet zo vaak, maar als ik eerlijk ben zijn ze wel herkenbaar.

Naast grappig en ontzettend goed leesbaar gaat het boek ook nog echt ergens over. Bijvoorbeeld: het wordt ergens halverwege ronduit ontroerend, als Brunt omschrijft wat bij de Ironman van Lanzarote de aanleiding is voor zijn ‘personal worst’. Ik zal dat niet verklappen, want het is echt een boek dat je zelf moet lezen!

Door |2014-12-01T17:21:54+01:001 december 2014|Boeken|0 Reacties
Ga naar de bovenkant