Boeken

And the winner is… anders!

Okee, ik beloofde te schrijven over de leuke boeken. Welnu, om te beginnen heb ik de afgelopen maanden een heel zwikje sporters-biografieën gelezen. Hier zes mini-recensies:

  • Marcel van Roosmalens Op pad met de dikke prins over Theo Janssen. Mijn indruk uit recensies is dat je het helemaal niks vindt óf geweldig, en ik vond het geweldig, maar ik houd dan ook heel erg van de droge observaties van Van Roosmalen. Een echt sportboek is het echter niet, het gaat bijna meer over het schrijven van een boek. Over een voetballer, dat wel.
  • Nog een voetballer: Gijp, van Michel van Egmond. Daar was ik een beetje laat mee natuurlijk, met het lezen van die bestseller van een paar jaar terug. Vond ik niet geweldig, ik vind de persoon René van der Gijp niet interessant genoeg voor zo’n dik boek.  
  • Nog een late: Mijn gevecht, van (en over) Thomas Dekker (en Thijs Zonneveld). Had ik al zo veel over gehoord en gelezen dat er weinig nieuws meer in stond, maar ik heb het wel in één ruk uitgelezen. Zonneveld kan wel schrijven, en de doping- en andere sterke verhalen blijven smeuïg.
  • Peter Post. Een fenomeen in de wielersport, van Fred van Slogteren. Een stuk minder goed geschreven en nogal afstandelijk voor een biografie, maar wel leerzame wielergeschiedenis.
  • Abdi Nageeye. Atleet zonder grenzen, van André van Kats. Bijzonder levensverhaal; Nageeye vluchtte maar liefst twee keer van Somalië naar Nederland.
  • Nog even over wielrenners dan: Anders, van (en over) Stef Clement (en Thomas Olsthoorn). Geschreven en verschenen net na het eind van Clements wielercarrière, dus zowel terugblik op een mooie carrière als heroriëntatie: Clement ontdekt de wereld buiten het wielrennen, en die bevalt hem eigenlijk veel beter dan die erbinnen. Met mijn interesse in sport als levenskunst vond ik dit het bijzonderste boek van de zes!  

 

Door |2019-08-11T16:57:39+02:0011 augustus 2019|Boeken|0 Reacties

Mentale training in cirkels

Ik had al eens vaker gehoord over ‘cirkels’ als vorm van mentale training, en in Sportlab Sedoc, waar ik met plezier naar heb gekeken overigens, ging het er ook al over. Elke keer vond ik het vaag, zo van: ja, je moet je aandacht erbij houden, dûh, of je dat nou cirkel 1 noemt of niet.

Maar omdat het kennelijk toch belangrijk is, wilde ik er wel eens meer over weten, en zodoende heb ik het boek erover gekocht: Focus, beter presteren door cirkeltraining, van  Rico Schuijers. En dat bleek een goede zet, ik vond het een prima boek!

Het boek is sowieso al erg mooi vormgegeven, met veel fullcolour foto’s – en dat voor een schappelijke prijs! Leuk is ook dat het niet alleen over sport gaat, maar bijvoorbeeld ook over de politie, musici en in het bedrijfsleven – daar wordt ook gepresteerd immers.

En die cirkeltraining, daar zit veel meer in dan ik op grond van die korte kennismakinkjes had vermoed. Voor een deel zag ik dingen terug die ik ken uit andere benaderingen van mentale training en knikte ik vaak instemmend – het is gewoon ook een goed boek daarover. Maar voor een deel waren het ook nieuwe dingen, die ik nooit op deze manier op een rijtje had gezien.

Die instemming, die had ik bijvoorbeeld bij waar het erover gaat dat flow maar een tijdelijke staat van zijn is, korte en zeldzame momenten, niet iets wat heel lang kan duren. Je hoort dat wel eens, dat topsporters wekenlang ‘in een flow’  zijn, maar dat kan helemaal niet, of althans, dat is niet de oorspronkelijke betekenis van het begrip.

Een andere heldere uiteenzetting vond ik die over verschillende soorten aandacht: intern  (‘binnen’) versus extern (‘buiten’), en globaal (‘groot’) versus detailgericht (‘klein’). Dat geeft vier verschillende combinaties, en je hebt een voorkeur voor één van die combinaties. Ik herken mezelf bijvoorbeeld in groot-binnen: Analytisch, veel gedachten en gevoelens die als een film voorbij kunnen komen en waar ik onder stress in kan blijven steken.

Okee – maar nieuw was voor mij dat je dan dus tegen kunt sturen door bewust de tegenovergestelde combinatie te kiezen, in mijn geval dus klein-buiten. Dat is goed te onthouden, makkelijk uit te voeren en het werkt als een trein. Ik heb sinds ik het boek heb gelezen al een paar keer ‘gespeeld’ met bewust kijken naar de rode dingen in mijn omgeving, en ja, dat haalt me uit mijn hoofd. (Ineens snapte ik ook waarom lezen me ontspant: lezen is ook ‘buiten’ en de wereld van de lettertjes is klein.)

Dan die cirkels. Optimaal presteren doe je in de binnenste, cirkel 1. Daar heb je optimale focus op je taak. Hoe verder naar buiten, oplopend tot cirkel 6, hoe verder je bent afgeleid daarvan. In die buitenste cirkel ben je vooral bezig met de vraag ‘wat doe ik hier eigenlijk’ – haha, heel herkenbaar. Ook cirkel 3 is dat voor mij nogal: daarin laat je je afleiden door gedachten over hoe het ‘eigenlijk’ zou moeten zijn.  

De kunst is om jezelf zo veel mogelijk naar cirkel 1 toe te coachen. Daar heb je verschillende vaardigheden voor, waaronder dat richten van je aandacht. Voor mij geldt bijvoorbeeld dat die gedachten over hoe het zou moeten zijn en wat ik eigenlijk aan het doen ben, die verstikkende film in mijn hoofd kunnen worden. Mijn aandacht dan richten op ‘klein buiten’ kan me helpen om weer meer focus te krijgen. Ga ik ook tijdens een triathlon mee aan de slag!

Andere vaardigheden zijn onder andere visualisatie en gedachtentraining, waaronder acceptatie van nare gevoelens zoals bij de ACT (*knikt weer instemmend*). Die werken trouwens ook zonder die cirkels, maar omgekeerd niet: alleen de cirkels geeft misschien inzicht, maar maakt het niet praktisch. Vandaar die dûh-gedachten van mij eerder. Maar het boek gaat dus om veel meer. In het Nederlandse taalgebied ken ik over mentale training geen beter boek dan dit.

Door |2019-06-11T17:02:52+02:0011 juni 2019|Boeken|2 Reacties

Over inspiratie en polarisatie – rijke boekenoogst!

Ik heb weer lekker veel gelezen de laatste tijd. Drie boeken gingen niet echt óver sport, maar ze waren daar wel relevant voor en ze gaven me nieuwe ideeën voor het begeleiden van sporters, en eentje ging echt over triathlontraining. Eerst de drie inspirerende, met overlap in de thematiek:

  • Body positive power – een geweldig boek in de strijd tegen lichaamsontevredenheid, wat voor de (vrouwen-)sport relevant omdat veel vrouwen sporten uit zelfhaat en niet uit plezier of uit welwillende zorg voor hun lichaam. Ik leerde er een boel van, onder andere over de dieetmiddelenindustrie (om niet ‘-maffia’ te schrijven) en was af en toe geschokt ook. Het meest heftige voorbeeld vond ik dat de auteur na het overwinnen van zeer ernstige anorexia bij de huisarts komt en dat die dan zegt dat ‘er wel een kilootje af mag’. Grappig: in het hele boek staat maar één zin waar ik van ging fronsen, en dat is in het voorwoord: dat elke vrouw het boek gelezen zou moeten hebben, ‘of je nu zestien bent of vijfenveertig’. Uh? Vanwaar die bovengrens? 
  • Intimiteit – een scherpe maatschappijkritiek, over hoe binnen een paar decennia de norm voor een ‘goed’ leven is veranderd van brave, gematigde aangepastheid aan de burgerlijke, vaak kerkelijke moraal naar mateloos ‘scoren’: presteren, succes hebben, rijk worden, links oogsten – maar ook voldoen aan het schoonheidsideaal. Die druk én de mateloosheid maakt dat we in toenemende mate vervreemden van onszelf – van onze lichamen. Met onder andere epidemieën van burn-out en depressie als gevolg. Het is iets wat ik bij sport als levenskunst blijf benadrukken: het gaat niet om de prestatie alleen. Sport kan een manier zijn om weer ‘closer’ met je lichaam te worden, maar ook om er juist nog verder van te vervreemden.
  • The passion paradox – Stulberg en Magness houden niet op mij te inspireren! Hun vorige boek vond ik al een klapper en ik volg ze met grote interesse op Twitter en via hun  nieuwsbrief. Belangrijkste nieuwe bijdrage in dit boek is voor mij dat zij naast gezonde passie (kenmerk: waardegedreven en gecombineerd met zelfreflectie) een onderscheid maken in twee soorten ongezonde: gedreven door angst of door externe bevestiging (om te ‘scoren’ – ja, Intimiteit echo’de af en toe). Je kunt – bijvoorbeeld – hard fietsen in een training omdat je dat lekker vindt en je jezelf ermee verbetert (in principe gezond), maar ook omdat je bang bent dat je anders een ‘loser’ bent, of dik wordt, of straks niet meer de anderen mee kunt komen (angstgedreven) of omdat het je veel kudo’s oplevert op Strava (externe bevestiging). Nogal wiedes natuurlijk dat Sportkunstenaars gaan voor het eerste! En sporten hoeft zelfs niet echt een ‘passie’ te zijn – het gewoon leuk vinden is ook al prima. 

Cover 80/20 TriathlonDan het triathlontrainingsboek. Dat was 80/20 Triathlon, een tip van Gringo van het Triathlonforum toen ik het erover had dat er nog zo weinig boeken waren waarin gepolariseerd trainen centraal staat. In dit boek dus wel, en dat is meteen wat ik er supergoed aan vind. Ik ben al jaren fan van gepolariseerd trainen, dus zo’n boek moet er echt zijn.

Iets meer in detail vind ik het echter wel een boek met twee gezichten.  Het eerste, algemene gedeelte vind ik geweldig. Ik heb vooral het tweede hoofdstuk, ‘Going Slower to get Faster’ met veel plezier gelezen. Het gaat eerst over de ontdekking – in de praktijk – van gepolariseerd trainen: 80 % van de tijd rustige duur, 20 % hoog-intensieve intervallen, en dus niet, althans niet doelbewust, trainen in de middelste intensiteit. Daaruit blijf je weg; dat is de ‘moderate-intensity-rut’: weinig trainingsopbrengst voor een realtief hoog blessurerisico. 

Daarna gaat het hoofdstuk in op de obstakels: waarom willen best veel sporters er níet aan, aan dat gepolariseerde trainen? En hoe verwerp je die argumenten? Ik vond het een feest van herkenning, vooral daar waar het gaat om dat de gedachte dat harder altijd beter is, dat het ‘niet lekker voelt’ (rustig trainen moet net langzamer dan wat fijn is, en als je geen topper bent, is dat écht langzaam) en het ego dat in de weg staat: rustige duurtraining is niet stoer; soms voelt het alsof je ‘niks’ gedaan hebt.

In dat soort discussies vind ik mezelf ook regelmatig terug. Laatst nog, toen iemand zei dat het doel van sporten voor hem was ‘zo moe mogelijk worden’. Ik zei nog: dat kun je toch niet écht willen, dat wil je je lichaam toch niet aandoen, altijd maar de zweep erover – maar hij snapte niet waar ik het over had (ja, hier echoën die boeken van hierboven).

Het zette me aan het denken – er ontbreken nog twee obstakels die ik wel hoor:

  • Het gaat niet alleen om moeite met de rustige pool. Er zijn ook sporters met een hekel aan, angst voor of moeite met zo diep gaan als nodig is voor de intensieve. Diep genoeg gaan is lastig en pijnlijk; het is, om maar iets te noemen, niet vrouwelijk om je zo het snot voor ogen te intervallen, en best wel veel oudere sporters lopen rond met het idee dat een hoge hartslag slecht is voor hun hart.
  • Het gegeven dat je in de ‘moderate-intensity-rut’ de meeste calorieën verbrandt per tijdseenheid dat je traint: minder intensief is minder calorieën; intensiever is maar heel kort vol te houden. Het nut van calorieën tellen is wat mij betreft zeer relatief (zie bijvoorbeeld hier waarom) en nooit een doel op zich van sporten, en zeker niet van een losse training (jaag je jezelf over de kling, kun je even later helemáál geen ‘calorieën meer verbranden’ als je uitgeput, opgebrand of geblesseerd thuis zit) maar het speelt wel voor veel sporters! 

Dat zijn mogelijk obstakels die vooral voor een bepaald type sporters gelden, wat me wel doet vermoeden dat de ‘at all levels’ van die cover mogelijk toch een behoorlijke bias heeft naar de hogere niveaus – zoals overigens zo ongeveer álle trainingshandboeken.

Dan het andere gezicht. Wat ik jammer vind aan het boek is dat het in de meer toepassingsgerichte hoofdstukken rigide omgaat met de getallen. Misschien werkt dat voor topsporters, maar niet voor gewone stervelingen. 

Concreet voorbeeld van de rigiditeit vind ik de trainingszones voor het zwemmen. Er is een gebied van 2″ per 100 meter waar je uit moet blijven – dat is een halve seconde per baantje. Niet alleen is dat het verschil tussen goed of wat minder afzetten, ‘m technisch net niet helemaal goed raken of wel, of al dan niet een stoorzender in de baan hebben – maar alleen al het verschil in vorm van de dag is bij mij al meer dan één seconde per baantje. Ik kán niet alleen m’n 100 meters niet op 2 seconde nauwkeurig timen, het heeft ook geen zin. Op mijn niveau althans niet. En al helemaal niet – voor niemand – als de zones bepaald zijn op basis van zo’n ruwe momentopname als een veldtest.

De rigiditeit zit hem ook in de toepassing van de percentages. De 80/20-regel geldt voor bijna elke week en elk van de drie sporten. Dat heb ik nooit elders zo gezien. Ik weet niet beter of het gaat om totalen over een trainingsperiode, waarin je periodes van meer rustige duur kunt afwisselen met periodes met meer intensiteit. Dat is het verschil tussen basis- en aanscherptraining.

Daarbij komt ook nog dat het percentage intensief schommelt met de totale trainingsbelasting. Bij topsporters ligt het soms onder de 10 %, maar die maken zo veel uren dat 10 % intensief nog steeds veel en dus heel belastend is. Als je 20 uur in de week traint, komt 20 % intensief neer op 4 uur – ga er maar aan staan! Train je minder, dan mag het percentage omhoog – dat is het idee achter de Time-Crunched boeken (zoals deze), waarin dat ook wordt uitgelegd.

Sowieso heb je natuurlijk geen tellertje meelopen in je lichaam, dus het komt écht niet op de laatste precieze procent en seconde aan. Dat kweekt maar dwangmatig gedrag en heel erg bezig zijn met de getallen in plaats van, bijvoorbeeld, hoe je je voelt en of je wel geniet. Dat is mijn grootste bezwaar tegen het boek.

Tot slot geloof ik in geen enkele trainingsaanpak die als heilige graal wordt gepresenteerd. Daarvoor verschillen individuele sporters te veel van elkaar. Ja, ik ben fan van gepolariseerd trainen; ik train zelf zo, voor fietsen al jaren, voor hardlopen krijg ik het zo langzamerhand onder de knie, met zwemmen experimenteer ik nog. En ja, ik kan het anderen aanraden. Maar altijd wel eerst als experiment, niet als wetmatigheid. 

Door |2019-04-29T15:37:58+02:0029 april 2019|Boeken, Triathlon algemeen, Vrouwensport, Waarom|0 Reacties

Zin

Ik sta in Zin, het tijdschrift voor na je 50e, in de rubriek ‘ik sport’ (p. 77, nr.13), met mijn verhaal over het volbrengen van een hele triathlon op m’n 50e. Ik was daarvoor benaderd door de journaliste op basis van dit blog, altijd leuk natuurlijk.

Ik ben er ook wel blij mee, vind het een hele eer, alleen wel jammer dat mijn commentaar op de tekst niet is doorgevoerd. Ik had ‘m toegestuurd gekregen en daarop gereageerd, maar dat zie ik niet terug. Daardoor staan er een paar ietsje eigenaardige dingen in*, en de kop herken ik helaas niet als mijn woorden – dat zou ik nooit zo zeggen, misschien alleen in een heel specifieke context (toen ik halverwege het lopen was, heb ik wel zoiets gedacht, toen, in Vichy, zo van: en nu móet het ook gaan lukken, nu pakken ze het me niet meer af – maar verder zou ik het niet weten).

Dus: ietsje gemengde gevoelens, maar toch wel leuk natuurlijk, dik twee jaar na dato!


(*Je moet ook weten wat een/de Ironman is, anders wordt dat niet duidelijk; het ritme van zo veel trainen vind je niet ‘vanzelf’, en ik ben niet eerder getrouwd geweest, hoor, gezien dat huidige, ik heb mogelijk iets gezegd als ’toenmalige vriend, huidige man’. Dat soort dingen.)

Door |2018-11-19T12:37:07+01:0019 november 2018|Boeken, Triathlon algemeen, Vrouwensport|4 Reacties

Leuk boek, maar niet alles

Cover boekIn Alles wat je wilt weten over hardlopen gaat wetenschapsjournalist en hardloper Mariska van Sprundel op zoek naar een verklaring voor en oplossing van haar vele blessures. In het verslag van die zoektocht blaast ze vooral een heleboel hardloopmythes op: nee, dure schoenen helpen niet, op blote voeten lopen is niet heilig, een genetische analyse geeft weinig houvast, er is geen wonderdieet, en ja, de mens is geschikt om hard te lopen, de een wat meer dan de ander en helemaal ideaal is onze bouw er niet voor (onze voeten vooral niet), maar vooral lang en rustig lopen hebben we in onze evolutie wel geleerd. Ze maakt voor de argumenten gebruik van onderzoek en van gesprekken met onderzoekers.  

Er passeert zo een heleboel interessants de revue, maar ik zie ook twee gapende hiaten, twee missers zowel gezien de titel van het boek (alles) als Van Sprundels zoektocht:

  1. Trainingsaanpak. Dat zou eerlijk gezegd het eerste zijn waar ik naar zou kijken bij frequent blessureleed, maar het gaat er in het boek niet over. Veel blessures komen voort uit te veel, te lang, te vaak, te hard trainen. Van Sprundel schrijft ergens dat uit een inspanningstest blijkt dat ze vooral goed loopt rond en boven haar omslagpunt. Voor mij als trainer rinkelen dan meteen alle alarmbellen: die traint te intensief, legt onvoldoende basis aan met rustige duur. Je ’trainingsbouwwerk’ hoort in balans te zijn, en bij blessuregevoeligheid én marathonambities moeten juist de lagere intensiteiten goed ontwikkeld zijn.
    Dus ik zou benieuwd zijn naar hoe ze traint. Dat is bij een atletiekvereniging, en dat stelt me op basis van mijn eigen ervaringen niet gerust (ik ben sinds een jaar lid-af, had ik dat al eens geblogd eigenlijk? Belangrijkste reden was onvrede over de trainingsaanpak.)
    Maar trainingsaanpak zou ook prima passen in de lijn van haar betoog. Ga maar eens na wat er klopt van de claims van de diverse benaderingen, bijvoorbeeld van de souplessemethode, de marathonrevolutie, gepolariseerd trainen en noem maar op. Wat zegt de wetenschap over de ideale trainingsaanpak? (Volgens mij trouwens: dat die per individu verschilt – daar kun je dus ook wat mooie mythes mee opblazen: de heilige trainingsgraal bestaat ook al niet). 
  2. Persoonlijkheid. Er gaat wel een hoofdstuk over de gunstige invloed van hardlopen op de psyche (zoals bij runningtherapie), maar niet over het omgekeerde: de invloed van psyche op hardlopen, en op blessuregevoeligheid. Er is bijvoorbeeld recent onderzoek waaruit blijkt dat perfectionisten vaker shin splints oplopen. De verklaring daarvoor loopt waarschijnlijk via punt 1: de trainingsaanpak. Té toegewijd trainen bestaat ook. Gezond trainen is flexibel. Voor perfectionistische mensen voelt dat als de kantjes ervan aflopen. Ja, en dat mag dus best! 
    Van Sprundel schrijft in het dankwoord van het boek dat ze tijdens het schrijven ervan RSI heeft gekregen. Gunt ze zichzelf te weinig rust? Pikt ze onvoldoende de eerste signalen op uit haar lichaam van dreigende grensoverschrijding? Ik ken haar niet, ik heb geen idee. Maar zoiets zou zeker kunnen.

Dus: leuk boek, ik houd wel van het relativeren van mythes als tegenkracht tegen commercie en hypes. Maar jammer van die valse belofte in de titel. 

Door |2018-07-30T18:36:16+02:0030 juli 2018|Boeken, Loop|0 Reacties

Uit de gevangenis: vrouw & fit

Cover boekJaren geleden hoorde ik in de sportschool een vrouw iets zeggen wat diepe indruk op me heeft gemaakt. Het was er één van een groepje vrouwen van ongeveer mijn leeftijd, die na het sporten in de kleedkamer zaten uit te puffen – en te klagen. Ze hadden het over hoe naar het is om altijd maar te moeten diëten en te moeten sporten, om de kilo’s in bedwang te houden. Er viel een stilte, en daarna zei er een: “Ach ja, we hebben levenslang”.

Het was geen grapje, dat kon ik merken aan de reactie van de andere vrouwen. Ik stond aan de grond genageld.

Ik denk dat er heel veel vrouwen zijn die datzelfde levenslang hebben. En wat zou ik graag willen dat die vrouwen uit die gevangenis bevrijd worden. Dat ze zichzelf uit die gevangenis bevrijden. Dat ze de stap kunnen zetten naar vertrouwen op en genieten van wat hun lijf allemaal doet en kan, in plaats van het te veroordelen om hoe het eruit ziet.

Samantha Brennan en Tracy Isaacs hebben die stap gezet, en ze schreven er een boek over: Fit at mid-life. Dat vind ik nog niet zo aansprekende titel, maar de ondertitel wel: a feminist fitness journey. Feminisme en fitheid, ja, sinds die levenslang-opmerking weet ik zeker dat sport een feministisch onderwerp is.

Via-via belandde ik op het weblog dat ten grondslag aan het boek, ‘Fit is a feminist issue‘ (daarin echoot een feministische klassieker), en toen werd ik nog enthousiaster: de schrijfsters namen zich op hun 48e samen voor om op hun 50e de fitste versie van zichzelf te zijn. Zo van: weg met diëten en sporten voor de slanke lijn, het gaat om fitheid.

En om lol, dat ook – jemig, kan dat, schrijven over sport en vrouwen vanuit het perspectief van plezier? Dat is echt zeldzaam!

Oja, en Brennan en Isaacs zijn ook nog eens filosofen en actief op het gebied van vrouwenstudies. Nou…

Met torenhoge verwachtingen ging ik het boek lezen. Het beschaamde die niet, het werd zelfs eigenlijk nog leuker dan ik had verwacht toen bleek dat Isaacs die fitste versie van zichzelf realiseert in de vorm van… triathlon! Ze maakt kennis met die sport bij een vrouwentriathlon en dat evenement betekent veel voor haar: zo kan het dus ook, sporten. Ze volbrengt een jaar later op haar 50e een Olympische afstand.

Een boel herkenning dus, en soms is het ineens ook heel anders, zoals haar worsteling met het fietsen, haar slechtste onderdeel. Brennan en Isaacs zijn Canadezen, ja, dan kan fietsen een exotische bezigheid zijn.

Het boek gaat trouwens niet alleen over triathlon, er komen een boel verschillende sporten aan bod, waaronder ook aikido, cross-fit en yoga.

Ik schrijf niet in mijn boeken, maar anders had ik regelmatig ‘ja!’ in de kantlijn geschreven. Met instemming las ik over allerlei thema’s die mij ook al jaren bezighouden, maar waar het weinig over gaat. Over hoe sport bij vrouwen altijd in verband gebracht wordt met de slanke lijn, calorieën verbranden en het uiterlijk, en niet met presteren of plezier. Over hoe vrouwen leren om door de ogen van een buitenstaander naar hun lichaam te kijken, in plaats van het te ervaren. Over hoe treurig het is dat de relatie van vrouwen met hun lichaam vooral gekenmerkt wordt door schaamte en haat (vanwege gewicht en uiterlijk), en hoe zeer dat hun kracht en plezier ondermijnt. Over dat voldoen aan het schoonheidsideaal niet wil zeggen dat je dan gezond bent (want: vaak te mager en ondervoed). Over hoe beeldvorming van vrouwen in de sport hun kracht subtiel ondermijnt, al is het maar omdat ze er óók altijd goed of schattig uit moeten zien (roze, rokjes, blote buiken). Over hoe moeilijk voor veel vrouwen presteren en competitie is, terwijl daar juist veel kracht en lol uit te halen is – als het niet zozeer gaat om winnen maar om zelf beter worden.

Nouja, en noem maar op.

De hoofdstukken in het boek wisselen af tussen beschouwing en persoonlijk verslag. Zo lezen we dus over hoe het de auteurs vergaat in de twee jaar van hun streven. Dat is niet alleen maar rozegeur en maneschijn – het gaat ook over blessures, verdrietige familieomstandigheden, schipperen met tijd, gezin en werk, en moeilijke keuzes, want je kan niet alles. De meer beschouwende stukken houden het midden tussen een feministisch betoog en praktische adviezen: hoe word je fit? Het is goed leesbaar allemaal.

Twee inzichten vond ik in het bijzonder interessant:

  • De beide vrouwen konden de stap van sporten voor de slanke lijn naar sporten voor fitheid en plezier zetten door te accepteren dat diëten een heilloze weg is (p. 74: ‘The Difficult Truth: Diets Don’t Work’). Ze moesten dus onder ogen zien dat nog een dieet en nog een sport- en eetaanpak waarin vetpercentage centraal staat geen zin had. Het deed mij denken aan de A van ACT: volledige acceptatie dat wat je tot nu toe gedaan hebt, je niet helpt – je levenslang geeft. Eerst is dat heel ongewis, daarna komt er ruimte voor iets anders; dat breekt de gevangenisdeuren open.
  • Het boek gaat in op het verschil tussen compartimentaliseren en integreren. Dat zit hem in de plaats die sport inneemt in je leven: is die apart, of een onderdeel van de dagelijkse gang van zaken? Compartimentalisten gaan met de auto naar de sportschool om daar op een hometrainer te gaan zitten. Sport is voor hen iets met een aparte plek en bijvoorbeeld ook aparte kleren. Integrationisten zeggen niet aan sport te doen, maar ondertussen doen ze alles op de fiets of te voet en zijn ze daardoor zo fit als een hoentje. Moderne maatschappijen maken het integrationisten niet zo makkelijk: bewegen is steeds meer naar de uithoeken van ons leven verdrongen. Maar om voldoende te bewegen, is integreren essentieel. Alleen een uurtje sportschool af en toe, en verder alleen maar zitten, is nog steeds maar heel weinig beweging.

Het boek smaakt naar meer in de zin dat het bij mij vragen oproept waarover ik graag in discussie zou gaan. Ik ga die vragen in het Engels vertalen en dan aan de auteurs toesturen, wie weet wat dat nog oplevert. Dit zijn ze:

  • Moet je niet oppassen dat je vrouwen weer een nieuw ideaalmodel voorspiegelt? Eerst ‘moesten’ ze sporten om slank te blijven, nu ‘moeten’ ze sporten om fit te zijn en te blijven, tot op hoge leeftijd? Weer een nieuwe norm?
    Ik vind fitheid als ideaal weliswaar nastrevenswaardiger dan een op het uiterlijk gericht ideaal: als je fit bent en blijft, kun je langer het leven lijden dat je wilt lijden. Maar ik vind toch ook dat het pure plezier nog onvoldoende aandacht krijgt in het boek. Of je wel fit blijft, is nogal ongewis: ja, sporten maakt fitter, maar je kan nog steeds volgende week omvallen. Er zou wat mij betreft meer nadruk mogen liggen op korte-termijnplezier, zoals bijvoorbeeld hoe lekker je kan denken tijdens het sporten, hoe leuk het is om progressie te boeken, en hoe zeer je wijden aan een trainingsregime je leven structureert.
  • In het verlengde van het vorige punt: legt het boek de lat niet te hoog? Zo zullen veel vrouwen het ervaren. Niet zozeer qua prestatie, die vind ik nogal meevallen – Isaacs is een uur langzamer dan ik op de Olympische afstand. Maar wel qua tijd die ze aan sporten besteden. Beide vrouwen geven overzichten van wat ze doe in een week, zonder uren erbij, wel vaak met twee sportmomenten op een dag. Ik schrik daar niet van, zeker niet omdat ze ‘wandelen met de hond’ en ‘naar het werk fietsen’ ook meetellen, maar voor veel vrouwen ziet dat er ongetwijfeld onrealistisch en onhaalbaar uit. Net zo onrealistisch en onhaalbaar als de platte buik, zal ik maar zeggen. Weer iets om moedeloos van te worden? 
  • Het boek gaat gezien de leeftijd van de auteurs frappant weinig over de overgang. Het gaat er twee keer over: in het kader van gewichtsbeheersing (over dat veel vrouwen in die jaren aankomen), en Isaacs wordt precies voor aanvang van een triathlon ongesteld, nadat ze dat al anderhalf jaar niet meer was geweest (zoiets heb ik vaker gehoord, en ook ik heb de ervaring dat het frappant vaak op onhandige sportmomenten begint). Het gaat niet over de hormonale kermis, toenemende blessuregevoeligheid en last van spieren en gewrichten, slecht slapen, een schommelend prestatieniveau, of over hoe je je er zo beroerd van kan voelen dat je niet meer kunt sporten. Het gaat al helemaal niet over hoe er in sommige overgangskringen wordt gepleit tégen sporten in de overgang (zie hier, maar ook de overgansconsulentes die ik raadpleegde vonden prestatiegericht sporten maar niks). Want, zo gaat de redenering, sporten is stress en als je nou tegen één ding niet kunt in deze levensfase, is het stress, dus: niet sporten. Speelt dat minder in Canada? Slikken ze daar meer hormonen? Is de overgang nog meer taboe?
  • Wat als je sporten nou echt niet leuk vindt? Ik vind dat de auteurs daar te makkelijk overheen stappen. Hun redenatie is: “Écht niet? Heb je echt al van alles geprobeerd?” Volgens hen zit er altijd wel wat tussen wat iemand wél leuk vindt. Dat grondig nagaa is inderdaad een goede eerste stap, want te veel vrouwen denken bij sporten alleen aan de sportschool en misschien nog aan hardlopen, maar er is veel meer.
    Maar toch… ik geloof dat bewegen een diep ingebakken behoefte is van elk menselijk lichaam. Maar ik denk ook dat die behoefte bij sommige vrouwen zo ver weggestopt is dat die onbereikbaar geworden is, onder andere door die zelf- en lichaamshaat en te veel alleen maar ‘moeten’ sporten. Of misschien door andere trauma’s – zoals ik aan gym op school heb overgehouden dat ik nooit meer zal volleyballen en ik ook iemand ken die heel veel beweegt maar afhaakt zodra er iets gemeten word (tijd of afstand). Voor haar en voor mij zijn er nog genoeg alternatieven, maar het kan verder zijn gegaan en dan blijft er op een gegeven ogenblik niks meer over wat leuk is. Nouja, niet zomaar – het zou therapie vergen om oud zeer op te ruimen en daaronder de beweeg-lol weer terug te vinden.

Nou, een heel verhaal – dit boek is zo veel aandacht beslist waard! Het heeft mij scherper gemaakt: ik las het al even geleden en het is me sindsdien al een paar keer opgevallen hoe de omroeper bij een loop of triathlon anders praat over vrouwen dan over mannen. Een hardloopster werd door eentje een ‘charmante verschijning’ genoemd. Dat zijn dus die ondermijnende dingen, hè: je mag wel lopen, als vrouw, als je maar een charmante verschijning blijft. Mannen hoeven dat niet. Die mogen gewoon presteren. Fit is definitely een feminist issue.

 

Door |2018-07-19T17:28:07+02:0019 juli 2018|Boeken, Triathlon algemeen, Vrouwensport|1 Reactie

Interessant boek, maar waar is de lol?

Cover RoarVorige week stond in de nieuwsbrief van de triathlonbond een tip voor Roar, een boek met adviezen voor vrouwelijke (duur-)sporters. Ik dacht meteen: dat moet ik hebben. In de standaard sportboeken, trainingsadviezen e.d zijn mannen immers de norm, en over, bijvoorbeeld, de invloed van de hormonale cyclus op trainen en presteren gaat het (afgerond) nooit.

Dus gauw besteld, e-boek, dus meteen binnen en zo’n beetje in één ruk uitgelezen. Dat zat hem er vooral in dat ik het super interessant vond om de stukken over de vrouwelijke fysiologie te lezen. Dat gaat dan vooral om de invloed van oestrogeen en progesteron op een aantal andere regelmechanismen, en dus hoe dat verschilt in de loop van je cyclus en van je leven.

Dat heeft me wel inzicht gegeven. Oestrogeen en progesteron werken bijvoorbeeld ook in op je gevoeligheid voor koolhydraten. Dat is een van de oorzaken van minder presteren in de tweede helft van je cyclus (iets wat ik wel herken – in die fase stonden de meeste  ‘nvtb’s’ in mijn logboek, ‘niet vooruit te branden’ – en die verleden tijd is omdat dat onder invloed van de overgang veel diffuser is geworden). Mogelijk zijn ook de twee periodes vorig jaar dat ik het gaspedaal maar niet kon vinden daaraan gerelateerd, doordat de overgangshormonen maakten dat ik niet de hogere koolhydratenverbranding kon bereiken. Ik ga het boek nog eens napluizen op wat ik daaraan zou kunnen doen (het is op het ogenblik prima trouwens).

Het boek bestrijdt daarbij ook een aantal ideeën die vrouwen kunnen belemmeren bij sportbeoefening, zoals de angst om dik te worden (c.q. te weinig eten), angst voor koolhydraten, angst voor het kweken van dikke spieren bij krachttraining, de neiging te veel te drinken, of bij het sporten juist te veel koolhydraten binnen te krijgen (gel+sportdrank). Een deel van die ‘myth busters’ is ook relevant voor mannen overigens.

Toch was ik niet helemaal overtuigd. Ik heb de indruk dat het boek de verschillen tussen mannen en vrouwen uitvergroot, of zich op gemiddeldes baseert, terwijl er tussen vrouwen heel grote individuele verschillen zijn. Het duidelijkste voorbeeld vond ik dat vrouwen volgens het boek onder invloed van hun hormonen slechter zijn dan mannen in hun hitte kwijt kunnen, dus minder goed presteren in de hitte dan mannen. Kan gemiddeld best zo zijn, maar ik kan veel beter tegen hitte dan manlief.

Dat maakt het moeilijk om de rest op waarde te schatten. Is de invloed van de geslachtshormonen echt zo groot? Als ik om me heen kijk, is toch ook daar heel veel individuele variatie. Bijvoorbeeld in hoe veel last vrouwen hebben van ongesteld worden, en in mijn levensfase in hoe de overgang verloopt. Dus het kan zo zijn als in het boek staat, maar het hoeft niet. Maar die relativering ontbreekt, en daarmee ook de noodzaak tot individueel maatwerk. 

Van het hoofdstuk over sportpsychologische zaken kreeg ik zelfs helemaal jeuk, zulke algemeenheden en stereotyperingen staan daarin. Dat hoofdstuk is ook nogal kort en summier, duidelijk niet het favoriete onderwerp van de schrijfster. Het boek is sowieso niet helemaal in balans, want tegenover heel ver uitgewerkte voedingsadviezen staat een lachwekkende halve pagina over het bepalen van je trainingszones.

Ik krijg daardoor ook niet helemaal scherp voor wat type sporters het boek is, want sommige adviezen gaan zo ver dat dat echt alleen voor topsportsters reëel is, maar andere onderdelen zijn dus wel heel globaal. Het tendeert wel meer naar de topsport, lijkt me, als je alles wil finetunen voor je prestatie.

En dan is het heel Amerikaans met dat je eigenlijk alles kunt bereiken als je… en dan komen er stapels heel specifieke en gedetailleerde ‘voorschriften’ voor je voeding (met torenhoog veel eiwitten, viel me op, plus wat al te vaak bepaalde merknamen), inclusief recepten (want je maakt natuurlijk alles zelf, ‘all natural’ en afgestemd op je hormonen), en voor oefeningen voor je core en om spierverlies tegen te gaan, en voor van alles wat je moet meten (dagelijkse urinestrips!) en bijhouden enzo.

Ik kreeg het er benauwd van. Vrouwen ‘moeten’ al zo veel. Om maar twee moetens te noemen: (1) werk en zorg combineren en dan is het al heel wat als je ook nog wil sporten, en (2) aan het schoonheidsideaal voldoen – zie de coverfoto van hierboven, oempf! Lekker, daar krijgen we weer zo’n onhaalbaar ideaalbeeld voorgehouden, alsof er daar nog niet genoeg van zijn… 

Enne – waar is de lol? Waarom is die altijd zo uit beeld als het gaat om vrouwen en sport?

Door |2018-04-17T17:49:15+02:0017 april 2018|Boeken, Trainer, Vrouwensport|0 Reacties

Eindelijk weer eens een leestip

MCover van het boekijn laatste boekentip is wel heel lang geleden. In de tussentijd heb ik wel wat sportboeken gelezen*, maar geen echte triathlonboeken. Nou is Redemption. From iron bars to Ironman ook maar ten dele een echt triathlonboek, maar ik vond het wel geweldig.

Het grootste gedeelte van het boek gaat niet zozeer over triathlon, maar over hoe John McAvoy, afkomstig uit een familie met wel meer beruchte boeven, gewapend overvaller en drugsdealer wordt van ‘beroep’. Dat gaat best wel goed, met een luxe-leventje tot gevolg, maar ook twee stevige gevangenisstraffen. Ik vond het interessant om zo’n inkijkje te krijgen in het criminele milieu en in hoe het eraan toegaat in de gevangenis. Vooral de vanzelfsprekendheid van het pad dat hij bewandelt viel me daarbij op. 

Tijdens de tweede periode in de gevangenis ontdekt hij dat hij een groot talent heeft: hij breekt nationale en wereldrecords op de roeiergometer. Dat speelt een rol in hoe hij besluit zijn leven te beteren. Dat gedeelte, dus zijn ‘ommekeer’, zou al gauw erg zijïg zijn, maar het boek is zo goed geschreven dat ik het geloofwaardig vond, en ook wel mooi juist. Vooral als hij zich voor het eerst realiseert dat er mensen zitten in die uniforms van het beveiligingspersoneel dat hij overvalt, en dat hij die mensen trauma’s bezorgt. Dat heeft hij zich nooit gerealiseerd, het waren altijd abstracties voor hem: hij bestal ‘het systeem’.

Er komt dan ook nog een maat van hem om tijdens een beroving, en dan realiseert hij zich wat zijn voorland is: een gewelddadige dood of een groot deel van zijn leven in de bak. Tot aan die tijd was dat rijke luxe-leven zijn idee van de toekomst en van zijn normale leven, maar hij gaat inzien dat dat niet reëel is. 

Eenmaal op proefverlof gaat hij echt roeien, maar hij is dan al te oud om de techniek nog goed genoeg onder de knie te krijgen om de top te bereiken. Daarom begint hij met triathlon, waarover hij in de gevangenis gehoord had. Al zes weken later wordt hij Ironman! Zijn eerste triathlon-belevenissen zijn mooi om te lezen, het gaat natuurlijk niet alleen maar makkelijk. Wat ik me al eerder had afgevraagd gebeurt: hij raakt heftig overtraind. Hij heeft weliswaar een heel bijzonder lichaam, maar dat kent toch ook zijn grenzen.

Ook zijn verleden is er nog. Saillant detail bijvoorbeeld vond ik dat plaatsing voor het WK Ironman in Kona hem niet zo boeit want hij kan met zijn achtergrond toch geen visum krijgen voor de VS… Aan de andere kant is zijn reclasseringswerker wel erg trots op hem: hij is een van de weinige criminelen van zijn kaliber die niet recidiveert. Mede dankzij de re-integratiemogelijkheden die ‘het systeem’ hem geboden hebben. Ook dat is interessant – en actueel.  

Inmiddels is McAvoy prof. Het boek is dus een heel hoopvol en inspirerend verhaal over hoe het wél kan, je leven beteren, zonder dat het dus te klef wordt. Een heel dikke aanrader, niet alleen voor triatleten! Ik kwam er zelf aan dankzij een tip van Maarten van het Triathlonforum – dank! 

 

*Aanraders zijn The science of running, Peak Performance (zie ook de recensie op mijn andere site) en Hoe simpel wil je het hebben

Door |2017-10-31T12:56:18+01:0031 oktober 2017|Boeken|0 Reacties

Even een hiaat opvullen

Cover boek Sport als levenskunstIk ontdek net een hiaat in mijn blog – heb ik het echt al die tijd lang niet gehad over Marc Van den Bossche? Jeetje. Nou, daar moet ik echt even wat aan doen. De post hieronder is de eigenlijke voorlopig laatste post van dit blog, zie daar voor als je wilt weten hoe het verder in elkaar zit.

Ik was net even aan het googlen omdat ik benieuwd was waar Marc Van den Bossche recentelijk mee bezig is, en toen kwam ik een artikel tegen dat mij meteen kippenvel bezorgde, over zijn rouw na de dood van zijn geliefde. Hij beschrijft daar hoe het doorslaggevende inzicht in zijn rouwproces kwam tijdens het zwemmen:

Dat het inzicht kwam toen ik al anderhalf uur aan het zwemmen was, was niet toevallig. Duursporten doet iets met je denken, je krijgt ideeën en inzichten.

Dat is niet voor het eerst dat hij dat schrijft: in zijn boeken Wielrennen en Sport als levenskunst staat de relatie tussen denken en sport centraal. Van den Bossche – wel ‘de fietsende filosoof’ genoemd, maar hij loopt ook hard en zwemt dus ook – beschrijft bijvoorbeeld hoe hij zelf zijn wetenschappelijke bijdragen uitdenkt op de fiets, maar zeker Sport als levenskunst gaat verder als pleidooi voor sport als noodzakelijke vorm van zorg voor lichaam en geest; duursport draagt bij aan een zinvol leven.

Als je tenminste maar niet te prestatiegericht bent. In dat artikel van hierboven zegt hij bijvoorbeeld

Niet de tijd die je doet over een marathon is belangrijk, maar hoe je ernaar toeleeft: het trainen, het rusten, het eten, het respecteren van je lichaam. 

Daarin echoot voor mij mijn belangrijkste Ironman-conclusie: dat het proces de moeite waard was, lonender dan die ene dag in augustus, en dat die 15 uur, 8 minuten en 46 seconden er eigenlijk ook niet zo veel toe doen. Waar het om gaat, is hoe het toewerken naar die dag twee jaar lang mijn leven mede heeft vormgegeven. Daar heb ik van geleerd, daar ben ik sterker van geworden, en ik durf zelfs te zeggen: een beter mens.

Een andere uitspraak van Van den Bossche die heel vaak in mijn hoofd zit is dat we elkaar als sporters eigenlijk niet naar tijd en prestatie zouden moeten bevragen, maar naar genot. Dus als iemand vertelt de Mont Ventoux opgefietst te zijn, vraag dan niet ‘Hoe lang heb je erover gedaan’ maar ‘En, genoten?’ Ik doe daar echt mijn best op! Want genieten, dat is waar het om gaan, sowieso, maar zeker op mijn niveau.

Kortom, Van den Bossche werk heeft me zeer geïnspireerd bij mijn eigen denken over de zin van duursport. Waarvan nu eindelijk dan toch nog acte op dit blog.

(Grappig, ik zocht een link voor Sport als levenskunst en ik zie ineens mijn eigen naam! Ik heb dat boek gerecenseerd voor Fiets Magazine, ik wist niet dat de uitgever daaruit had geciteerd. Het wordt daarmee een beetje cirkeltje, want Marc Van den Bossche wijdt in dat boek enkele pagina’s aan mijn Afzien voor Beginners. We hebben ook wat contact gehad, en ik wist dat zijn vrouw overleden was. Zijn nieuwste boek heb ik maar gauw besteld! We hebben elkaar nog nooit ‘live’ ontmoet, maar wie weet komt dat ooit nog.)

 

 

Door |2017-03-02T14:31:25+01:002 maart 2017|Boeken, Fiets, Loop, Triathlon algemeen, Waarom, Zwem|1 Reactie

Terugblik: nog 2 leestips

In deze terugblik geef ik niet meer een overzicht van interessant leesvoer op Internet of elders, zoals ik eerder wel deed (meest recente voorbeeld en zie ook de boekencategorie). Ik heb het ook niet meer echt bijgehouden – het lezen wel, maar ik heb de links niet meer bewaard. Ik beperk de leestips daarom tot twee die wel bijzonder relevant zijn:

  1. Ik werd tot deelneemster van de maand uitgeroepen door de Vrouwentriathlon: http://www.vrouwentriathlon.nl/vrouwentriahtlon-webredacteur-louise-shes-an-ironman/ Ik vond het een hele eer, erg leuk om door collega-vrijwilliger Laura geïnterviewd te worden. Ik werd er een beetje raar van, want ik ben zelf webredacteur dus ik heb het stukje zelf geplaatst, en ik zat toen ook nog (tijdelijk) achter de Twitter-account @vrouwentriatlon, en dus was het gek om in de derde persoon over mezelf te tweeten, dat kon ik niet zonder te blozen:

Tweet over Ironman Louise

En dan uitloggen, onder m’n eigen naam inloggen, en ‘m retweeten – moderne schizofrenie!

2. Ik kreeg een mailtje van een ‘lotgenoot’: nog iemand die op z’n 50e Ironman werd, en daar een boek over had geschreven: De hemel, de hel, de triathlon van Ardy Felius (met de mooie domeinnaam triatfifty). Cover boekDat moest ik hebben natuurlijk! Ik heb het achter elkaar uitgelezen, benieuwd naar hoe het hem verging.

Dus lekker leeswerk, dat zeker, maar het boek bevredigt toch niet, vind ik. Felius jaagt zichzelf vanaf het begin van z’n sportcarrière regelmatig over zijn grenzen, met de ene overbelastingsblessure na de andere. Hij traint de hele tijd te vaak, te veel, te lang en te hard. Sport door met pijn. Kan dan lang niet trainen en geeft dan toch op het laatst nog even vol gas om toch aan een evenement mee te kunnen doen. Gunt zichzelf nauwelijks rust. Streeft ondanks al versleten knieën en ouder worden naar dezelfde tijden als vroeger. 

En nu zit hij dus een kapotte knie die het voor hem onmogelijk maakt om zelfs maar aan een tweede Ironman te kunnen denken – hij kan niet meer hardlopen (je ziet op de coverfoto de brace die hij nodig had bij zijn Ironman).

Dan is het sowieso duidelijk: dat is een totaal ander soort sporter dan ik. Voor mij staat heel blijven op de lange termijn altijd voorop, vóór wat voor prestatie dan ook. Dan presteer ik maar  wat minder, want ja, dat is ook zo ten opzichte van Ardy. Voor het boek mis ik iets van een persoonlijke ontwikkeling of leerproces – hij blijft het hele boek lang dezelfde fouten maken, geeft dat ook toe, gaat er zelfs een beetje prat op, noemt het ‘karakter’ (letterlijk: ‘de een noemt het karakter en de ander noemt het dom’, p. 139). Dat is zijn keuze, zijn leven, zoals hij zelf zegt, en dat is natuurlijk zo. Maar ik vind het niet interessant genoeg om er 200 pagina’s over te lezen.

Verder wemelt het boek van de taalfouten, ook dat is jammer. Wat wel weer voor Ardy pleit is dat hij me om feedback vroeg, dus in deze post staat voor hem niks nieuws.

Erg leuk vond ik wel zijn term ’tobsporter’ voor als het niet allemaal van een leien dakje gaat Daar herken ik mezelf dan weer wel in, en ik ben jaloers op het mooie woord!

 

Door |2017-01-17T17:06:25+01:0017 januari 2017|Boeken, Triathlon algemeen, Vrouwensport|1 Reactie
Ga naar de bovenkant