Boeken

Twee boek-vluggertjes

Ik ben pas geleden door twee boeken gesjeesd: lees-vluggertjes. Ik vond ze allebei aardig: leuk genoeg om hier wat mee te doen. Maar ben van allebei niet helemaal de doelgroep, vandaar dat ik ze niet heel grondig heb gelezen.

Het eerste boek is Zwem je mentaal sterk van Marjon Huibers. Wat ik daar leuk aan vind, is dat het een boek is voor mentale training, helemaal toegespitst op één sport. Daarvan zijn er bij mijn weten niet veel: de meeste sportpsychologische boeken gaan over sporten in het algemeen. Door de focus op zwemmen te leggen, zijn de oefeningen veel concreter en specifieker en gaat het boek ook in op de mentale uitdagingen van die sport, zoals het ademhalen en openwaterzwemmen.

‘Niet helemaal de doelgroep’ zit hem erin dat ik niet alleen zwemmer ben, maar triatleet (die al zo lang niet meer heeft kunnen zwemmen dat ik wat weemoedig werd van het boek) en dat ik al een boel weet over mentale training. Er staat dus weinig nieuws voor me in. Dan is € 29,95 wel veel geld. Eigenlijk vind ik het boek sowieso duur. Het is mooi verzorgd (harde kaft, lintjes, steunkleur, tekeningen) en je krijgt er een kek notitieboekje bij – maar dan nog vind ik het veel geld voor de inhoud. Het maakt het boek wel een geschikt cadeautje, voor elke zwemmer die serieus aan de slag wil met mentale vaardigheden.

Het tweede boek is Ook leuke meisjes worden 50, van Maaike de Vries en Manon Kerkhof. Het is een boek over de overgang, en aangezien die er voor mij op zit, ben ik er als het ware te oud voor. Mijn interesseert echter nog steeds de relatie tussen sport en de overgang, en op dat gebied vond ik zowaar iets echt nieuws in dit boek waar ik blij mee was: uit onderzoek blijkt niet dat sporten helpt tegen overgangsverschijnselen: je kunt opvliegers niet wegsporten.

Daar ben ik blij mee, omdat mij dat altijd als te simplistisch maakbaar voorkwam, en omdat de gedachte dat sporten (en vegetarisch eten) wél zou helpen, mij nogal heeft achtervolgd. Die kom je best wel veel tegen namelijk en dus had ik verwacht dat ik probleemloos door de overgang zou rollen. Dat viel tegen! Er zijn vrouwen die wél baat hebben bij sporten en natuurlijk helpt het om fit te zijn, maar dat is het dan ook.

Wat me verder opviel aan het boek was de grote plek die is ingeruimd voor bekkenbodemproblematiek. Dat vond ik weer een voorbeeld van: eerst hoor je er nooit over, dan ineens overal. Het boek bevestigt wat ik net leerde en gaat ook nog wel verder, onder andere over mogelijke operaties. Dat gaat mij wat te ver, maar goed, het is het specialisme van een van de auteurs.

Ik vind het boek verder wel goed, maar ook een beetje onduidelijk in enerzijds evidence-based nogal veel maakbaarheidsmythes ontkrachten, zoals die over de gunstige invloed van sport en vegetarisch eten, en anderzijds er toch een hele hoop leefstijladviezen tegenaan gooien: vrouwen moeten weer een heleboel. Het zit wat dat betreft in dezelfde hoek als Hart & Hormonen, al vond ik dit boek wel veel beter: breder, leesbaarder, minder drammerig, en net iets minder alleen maar kwalen. Nog steeds wel veel kwalen – beide boeken komen vanuit de medische praktijk, en daar komen nou eenmaal meer vrouwen met problemen.

Vrouwen moeten wel ook weer aan het sporten, want ja, dat is toch wel goed. Dat ís het ook, natuurlijk, maar ik voel me als voor-de-lol-en-de-prestatie-sportende 50+-vrouw weer niet gezien. Het beweeg-hoofdstuk spreekt de lezeressen alleen maar aan als vrouwen die geen zin erin hebben. Dat gaat altijd zo, en het kan voor de meerderheid wel gelden, zeker de meerderheid in de medische praktijk – dat weet ik allemaal wel, maar ik krijg wel een sik van die eenzijdigheid.

Ik had dit boek op basis van de titel wel wat vrolijker en speelser verwacht. Maarja, misschien kan ik het inmiddels allemaal wat beter relativeren dan vijf jaar geleden….

 

Door |2021-04-08T15:17:53+02:008 april 2021|Boeken, Vrouwensport, Zwem|0 Reacties

Blessures als levenskunst

Ik ben alweer een gaaf boek verder: Rebound. Training your mind to bounce back stronger from sports injuries, van sportpsycholoog Carrie Cheadle, van wie ik eerder een goed boek las over mentale training, samen met journalist Cindt Kuzma 

De invalshoek ervan is herkenbaar voor elke sporter die wel eens geblesseerd is geweest: dat is ook een stevige mentale uitdaging. Om maar eens wat te noemen: van een blessure kun je ontzettend chagrijnig worden, het kan veel vasthoudendheid vragen om een oplossing te vinden, je moet pijn verdragen en oefeningen doen die je helemaal niet leuk vindt, en als je weer hersteld bent, kun je angst hebben om opnieuw geblesseerd te raken. Ik herken dat allemaal.

Dit boek gaat precies daarover: waar loop je als geblesseerde sporter allemaal tegenaan, anders dan het puur medisch-lichamelijke traject? Het is een werkboek, vol met oefeningen waarvoor de bijbehorende website ‘worksheets’ biedt.  De theorie is vrij beperkt maar wel terdege onderbouwd, en verder maken ervaringsverhalen een groot deel ervan uit. Die zijn sowieso interessant om te lezen, maar ze hebben ook nog als speciaal doel om duidelijk te maken dat je als geblesseerde sporter niet alleen bent – want dat kun je je wel voelen, als je bijvoorbeeld je sportmaatjes niet meer ziet. ‘You are not alone’, is een belangrijke boodschap.

De andere boodschap is dat je vaardigheden kunt aanleren en benutten die je helpen met de emotionele kant van geblesseerd zijn, en met veel meer dan dat. Ik dacht het al de hele tijd tijdens het lezen en aan het eind stond het er ook letterlijk: het gaat om veel algemenere en essentiële vaardigheden dan alleen voor geblesseerd zijn. Dit gaat helemaal om levenskunst.

Levenskunst in de zin van: Kunnen rouwen om verlies, zonder helemaal bij de pakken neer te gaan zitten. Voelen wat er is, je eigen emoties herkennen. Weten dat elke emotie tijdelijk is. Onderscheid maken tussen waar je wel en geen controle over hebt. Hulptroepen kunnen inroepen en daar goed mee communiceren. Doelen kunnen bepalen – en bijstellen. Eerlijk zijn tegenover jezelf. De projectie van anderen kunnen herkennen en daar goed mee omgaan. Negatieve gedachtetreinen kunnen stoppen. Geduld betrachten. Pijn kunnen verdragen en onderscheid kunnen  maken tussen pijn die okee is en waar je echt wat mee moet. Je aanpassen. In het hier en nu zijn. Je aandacht richten. Verschillende coping-strategieën aanwenden. Loskomen van je eigen ondermijnende gedachten. Realistisch blijven én hoopvol.

Dit is al een heleboel en het is nog niet eens alles. Dit boek neemt de mentale kant van blessures hartstikke serieus. Daarin is het – bij mijn weten – uniek. Dat heeft ook echt z’n plek. Maar het is dus wel ook heel veeleisend. Je ‘moet’ heus niet alles uit het boek doen, je kunt er vrijelijk uit kiezen. In dat opzicht is het een goudmijn. Er kan hooguit nog een laagje Amerikaans optimisme en maakbaarheidsgeloof af. Het is wel wijs, het is geen simplistisch maakbaarheidsverhaal, er komen ook sporters in voor bijvoorbeeld die na hun blessure echt niet meer konden wat ze voorheen konden, in een rolstoel terechtkwamen bijvoorbeeld. Maar uiteindelijk ‘slagen’ ze wel allemaal.

Het enige echte minpunt vind ik dat de voorbeelden nogal eenzijdig zijn. Het gaat namelijk alleen maar om echte toppers. Allemaal hebben ze minstens de nationale top bereikt, vaak zelfs de Olympische spelen of equivalent. Ze zijn dus ook allemaal jong en buitengewoon getalenteerd. Mogelijk is dat de doelgroep van het boek, ik vind het een gemiste kans.

Die toppers hadden in meerderheid nogal recht-toe-recht-ane blessures, vaak door ongelukken, zoals afgescheurde kniebanden en gebroken botten. Als het over overbelasting gaat, zijn het vooral stressfracturen – heel veel stressfracturen, valt me op, zeker onder de vrouwen – hmm, denk ik dan, eten die allemaal te weinig? Daarover gaat het niet. Zulke blessures hebben een duidelijk beginpunt, een heldere diagnose en een voorspelbaar medisch traject voor de revalidatie.

Aan het eind gaat één voorbeeld over een ‘vage’ blessure: een onduidelijke pijn die dusdanig verdwijnt dat ook die dame aan een WK kan meedoen. Dat lijkt me niet representatief, of liever gezegd: om me heen hoor ik veel meer verhalen over vage blessures met een onduidelijk verloop en perspectief; ik heb daar zelf ook mee te maken gehad.

Blessures die onverklaarbaar zijn, en/of steeds terugkomen, en/of niet overgaan. Van die dingen waarvan een fysiotherapeut na een tijdje ook zegt ‘ik weet het niet meer’. Waar je maar mee blijft sukkelen, soms wel en soms niet kunnen doen wat je wilt. Geen idee wie je verder kan helpen. Enzovoort. Daarover gaat het in het boek te weinig, over het ‘moeras’ waar je dan in komt. Zeker als je het zelf uit moet zoeken, zonder professionele ondersteuning.

Ook aan de mentale kant zijn de voorbeeldsporters bovengemiddeld getalenteerd, lijkt me. Niet iedereen kan na ernstige ongelukken gauw weer de draad oppakken. Het boek waarschuwt wel voor bijvoorbeeld verslaving aan pijnstillers en geeft ook aan wanneer je professionele hulp moet zoeken, maar de voorbeeldsporters hebben de ernstigere problemen allemaal succesvol overwonnen. Ook dat is niet realistisch natuurlijk. We hebben niet allemaal de mogelijkheden om die hele opsomming aan vaardigheden van hierboven te verwezenlijken.

De meesten van ons modderen met onze blessures en emoties maar een beetje voort. Dit boek is wel een grote inspiratiebron voor als je meer wilt dan dat. Als je van geblesseerd zin in zekere zin je sport wilt maken en ervan wilt leren voor je leven. Een bijzondere vorm van sport als levenskunst!

 

Door |2021-03-04T20:31:33+01:004 maart 2021|Boeken, Triathlon algemeen, Vrouwensport|0 Reacties

Blijf een beetje Bram

Ik heb afgelopen binnen net iets meer dan een dag en met heel veel plezier Tank gelezen, het boek van Bram Tankink, met Ralph Blijlevens uit 2018.

Dit is geen wielerblog, dan zou ik een wat representatievere recensie schrijven, nu laat ik het erbij dat ik denk dat dit boek voor elke wielerliefhebber de moeite waard is, vanwege een dubbel inkijkje: in de persoon Bram Tankink en via hem ook in de wielerwereld. Van allebei zie je zeker niet alleen de mooie kant: een eerlijkheid die ik altijd kan waarderen in een boek.

Voor dit blog pik ik er één dingetje uit dat me opviel omdat ik het er net zelf hier over had gehad: het nadeel van het precieze meten en rekenen. Tankink maakt de opkomst van de vermogensmeter mee. Dat verandert het trainen voor hem. Waar ze eerder met een groepje profs afspraken om bijvoorbeeld samen de Ardennen in te rijden en elkaar op de klimmetjes de maat te nemen, krijgen hij en zijn collega’s steeds meer precieze blokken voorgeschreven: een X aantal minuten bij vermogen Y. Dat is hoogst individueel en ook niet aangepast aan de omgeving. Samen trainen zit er zo veel minder in.

Maar het gaat nog verder dan dat. Waar Tankink nog het restje meemaakt van de tijd waarin je het wielrennen kon domineren dankzij doping, gaat in toenemende mate precisie in training en voeding een rol spelen (p. 293):

De laatste paar procent verschil haalde men niet uit training, wel uit medische preparatie. Nu dat verdwenen is, haal je de laatste paar procent uit training en voeding en dat vraagt een volledig andere instelling. (…) Er is een ander type renner opgestaan. Renners met haast autistische trekjes, plichtsvervullers. Tegenwoordig kun je iets bereiken door vanaf de jeugd keihard te trainen. De avonturiers verdwijnen langzaam uit het peloton. De renners van nu zijn stuk voor stuk trainingsmachines die zich laten leiden door wattagemeters, trainers en voedingsschema’s.

Ik schrijf dit op een dag dat Mathieu van der Poel daar weer eens dwars doorheen is gefietst, maar hij is inderdaad echt een uitzondering geworden. Het koekeloeren op de vermogensmeters in plaats van er gewoon in vliegen is al berucht natuurlijk. Ik heb ook al wel met kromme tenen zitten kijken naar reportages over hoe voor de renners in de Tour hun eten tot op de gram nauwkeurig wordt afgewogen – iets wat je buiten die context een eetstoornis zou noemen. Dat lijkt me voor die renners voor een groot deel pure onzekerheidsreductie, ook al wordt het ‘wetenschappelijk’ genoemd.

De kromme tenen zitten er vooral in dat een heleboel gewone stervelingen, prestatiegerichte recreanten en hobbyisten dus, er een voorbeeld aan nemen: denken dat het zo moet. Je zou ze de kost niet moeten geven die liever binnen trainen omdat ze daar preciezer hun ‘blokjes’ kunnen afwerken. Of die niet meer kunnen fietsen zonder vermogensmeter. Of die als ze ‘maximaal’ willen gaan, op hun vermogensmeter kijken in plaats van te voelen wat hun benen op dat moment écht kunnen. Die ook hun eten afwegen en hun koolhydraten en eiwitten tellen.

Daar gaat, ook op dat niveau, iets wezenlijks in verloren. Eten omdat je trek hebt of iets lekker vindt. Fietsen gewoon vanwege je kop in de wind. Niet naar je schermpje kijkend, maar naar de vele sneeuwklokjes of het mooie licht van de wegtrekkende mist van vandaag (foto hieronder). Lekker bollen met de wind in de rug, of foeteren op de tegenwind. Zomaar een weggetje inslaan omdat je benieuwd bent waar dat heengaat. Je maatje eraf sprinten voor een plaatsnaambordje. Ouwehoeren. Enzovoort, enzovoort.

Het is niet strijdig met elkaar – niet per se. Er kan veel lol zitten in mooie blokjes rijden en je kunt daarnaast tijd maken om te zwerven en te spelen. Blijf dat vooral ook doen.

Train, maar word alsjeblieft geen plichtsvervullende trainingsmachine.

Blijf avonturier.

Blijft een beetje Bram Tankink.

Skyline van Overschie, nog wat grijzig maar met een vermoeden van zon

 

 

Door |2021-02-28T18:04:52+01:0028 februari 2021|Boeken, Fiets|3 Reacties

Prikkelend boek (maar ik ga er wel van zuchten)

Ik heb hier al vaker geprotesteerd tegen het huidige idee van ‘moeten’ sporten vanwege je gezondheid en de slanke lijn: bewegen als panacee voor alles, waaronder ook de corona-pandemie. Dat is een illusie die mensen naar een nare, vervreemdende manier van bewegen duwt: sport als gevangenis (wat ik vrouwen in de sportschool wel eens heb horen verzuchten: ‘we hebben levenslang’). Ik ben voor sport als bron van plezier, vrijheid en persoonlijke groei – sport als levenskunst.

Vandaar dat Intelligent bewegen. Lichaamsbeweging voor persoonlijke groei van Fabio D’Agata me onmiddellijk nieuwsgierig maakte, toen ik in het blad van NLCoach een recensie las. Ik las het dan ook met veel instemming en herkenning.

Meteen op de eerste pagina maakt D’Agata duidelijk dat zijn methode voor bewegen een derde optie is, naast de twee dominante manieren: competitief/prestatiegericht en uiterlijk- of gezondheidsgericht: bewegen in dienst van persoonlijke groei. Nou, dan heb je mij op het puntje van m’n stoel.

Desalniettemin heb ik nog wat kritische noten te kraken ook.

D’Agata heeft zelf door middel van bewegen paniekaanvallen en angsten overwonnen. Belangrijk inzicht daarbij was dat hij eigenlijk altijd tegen zijn lichaam had gevochten, het had ‘gebruikt’ en alle signalen ervan die niet uitkwamen (zoals vermoeidheid en pijn) had genegeerd, om zijn zin door te drijven en goed te presteren. Het kwam goed met hem, en nu helpt hij anderen om van zo’n vijandige houding tegenover het eigen lichaam af te komen.

Belangrijke eerste stap daarbij is helder krijgen waarom je zou bewegen. Alleen maar omdat het goed is voor de gezondheid, slanke lijn of de spiermassa is onvoldoende om in beweging te komen of te blijven: je wilt niet zo veel lijden om zo weinig. Als je jezelf dan naar de sportschool sleept, bouw je alleen maar aversie op, totdat je het bijltje erbij neergooit. Je moet dan veel te veel narigheid onderdrukken immers. Beter is om contact te maken met je lichaam, dus om te voelen, in plaats van het te onderwerpen aan de ‘mentale dictatuur’ van het hoofd. Helemaal mee eens.

Je kunt volgens D’Agata wél in beweging komen omwille van een ultiem verlangen, een hoger doel, zoals bij hemzelf van die angst afkomen. Dat formuleer je, en dan bepaal je vervolgens drie vaardigheden die je nodig hebt om dat verlangen te realiseren: een emotionele, een fysieke en een mentale (‘ontwikkeldriehoek’).

Vervolgens bedenk je een beweegvorm die het mogelijk maakt daaraan te werken. Iemand die zelfverzekerder wil worden gaat aan de slag met zelfvertrouwen, kracht en een reëel zelfbeeld, door speelse krachtoefeningen, met reflectie daarop voor dat zelfbeeld. Elke keer een stapje verder. Zo leidt bewegen tot persoonlijke groei.

Omgekeerd geldt ook, denk ik, dus dat inzetten op persoonlijke groei zo dus tot meer bewegen leidt, maar dat wordt niet heel concreet – niet anders dan door voorbeelden. Je vindt er geen trainingsschema’s ofzoiets en ook geen handvatten om verlangens of vaardigheden te koppelen aan beweegvormen. Dat moet je vooral zelf uitdenken.

Okee, leuk, nouja, ik heb wel twijfels, vooral deze twee:

  • Het wordt mij niet helder wat ‘gevoel’ precies is. Als het gaat over emoties loopt in het hele boek de lichamelijke en de cognitieve kant daarvan door elkaar. Al in het begin vertelt D’Agata over zijn eigen angsten alsof die komen uit zijn lichaam, maar irrationele angst komt wel degelijk (ook) uit je hoofd. Ik vind het sowieso opvallend hoe veel ‘hoofd’ er in de hele methode bij komt kijken, ondanks het pleidooi voor meer ruimte voor voelen. Als dat voelen zo belangrijk is, snap ik ook de titel niet. Meer in het algemeen zou ik niet onder woorden kunnen brengen wat het boek nou precies beoogt rond die verhouding tussen voelen, intelligentie en bewegen.  
    En dan kun je denken: nouja, wat maakt het uit? Deels is het inderdaad een theoretisch probleem. Maar het gaat wel verder dan dat: als je bij emoties denken en gevoel niet goed scheidt, ontstaat in de praktijk het risico van met je hoofd je gevoel onderdrukken. Ik zag daar wel wat sporen van in het boek. Ik keek er bijvoorbeeld van op dat D’Agata ‘zelfbeheersing’ koos als emotionele vaardigheid om beter met zijn angst om te leren gaan. Met zelfbeheersing lijk je me toch een boel angst te kunnen onderdrukken, en dat is precies wat je niet wil als je bezig bent met meer te leren voelen.
    Ik ken die valkuil zelf ook, vandaar misschien mijn scepsis. Je moet in de methode je gevoel best goed kunnen verwoorden om mee te kunnen doen. Dat zou voor mij averechts kunnen uitpakken: als ik na een oefening of training moet verwoorden wat ik heb gevoeld, ga ik over die woorden nadenken in plaats van echt te voelen.
    Nouja, dit is mogelijk ook een verschil van opvatting. Ik ben meer van de ‘Feel the fear and do it anyway’-methode van onder andere de ACT. Die relativeert het belang van labels voor wat je voelt en sowieso van al die woorden in je hoofd. De ACT wordt wel genoemd in het boek, maar niet uitgewerkt.
  • Het boek verkoopt de illusie van maakbaarheid. Ook al uit het een stevige portie maatschappijkritiek voor wat betreft de dominantie van het niet-voelen en de eenzijdige en tot falen gedoemde opvattingen over bewegen, het is zeer braaf voor wat betreft het nog dominantere neo-liberale ideaal van de zelf-optimalisatie: je bedenkt wat je wil, verbetert jezelf, geheel autonoom, en dan raakt dat ultieme verlangen wel vervuld (zie ook de tekst op de website – die is ronkender dan het boek zelf).
    Alsof we allemaal zo slim en vaardig zijn om dat allemaal uit te dokteren (degenen die dat al kunnen, komen er sowieso wel).
    Alsof onze verlangens altijd zo authentiek, zuiver en edel zijn (alsof dwangmatigheid en verslaving niet bestaan bijvoorbeeld).
    Alsof dingen niet kunnen mislukken of anders lopen dan verwacht – wat nou als dat verlangen niet bevredigd wordt, het doel niet wordt bereikt?
    En alsof we geheel in vrijheid onze keuzes maken en daarmee ons lot in eigen hand nemen. Bij de passage over het uitkienen van wat voor jou de optimale tijd op de dag is om te bewegen, moest ik grinniken: alsof er geen werktijden zijn, geen bazen, geen gezinsleden die iets van je willen, enzovoort.
    Wat nou als je nog steeds niet van de bank af kunt komen? Ben je dan een loser?
    Als het moeilijk blijkt te zijn, kun je je laten coachen, door het bedrijf van D’Agata. Ik heb even gekeken, en de vitaliteitsprogramma’s kosten € 6450.
    Dus ook: alsof er geen financiële beperkingen bestaan (het boek zelf is met € 20 dan weer wel heel betaalbaar).

Okee, dat is stevige kritiek, maar ik vind het wel fijn dat het boek tot zulk soort denkwerk uitdaagt. Ik ben druk bezig met het verder laten uitkristalliseren van mijn eigen visie op sport en bewegen, en daar helpt dit zeer zeker bij. Veel meer dan het gemiddelde sportboek. Ben ik blij mee!

Op één punt ga ik echter nog wat kritischer zijn – daar vliegt het boek wat mij betreft uit de bocht. Het is rond pagina 86-89, over hoe je bepaalt wat dat ultieme verlangen is. Daar legt het boek normen aan die ik zeer dubieus vind. Zonder die die pagina’s had ik het boek hoger gewaardeerd.

Het begint ermee dat D’Agata bepaalde doelen of verlangens van mensen goedkeurt, en andere niet. In een trainingsgroep zegt bijvoorbeeld iemand graag te bewegen want ‘het leegt mijn hoofd’. Dat is niet genoeg, want dat is te zeer ‘hoofdwerk’ en gericht op productiviteit – elders in het boek is recht-toe-recht-aan carrièrestreven echter wel goed.

Een ander zegt graag te bewegen vanwege de veiligheid van haar kinderen: als er iets gebeurt, wil ze snel kunnen handelen. Dat is wel goed, heel goed zelfs, een voorbeeld voor de anderen – terwijl mij dat een angstig doel lijkt.

Er is dus een onduidelijk verschil tussen goede en niet-goede doelen en strevens. Ik zou daar als coachee die het graag ‘goed’ doet onzeker van worden.

Ik krijg de norm voor een goed ultiem verlangen dus niet te pakken, maar een pagina verder wordt die op één punt wel expliciet. D’Agata zet uiteen dat vrouwen over het algemeen door verlangen naar liefde gedreven worden (en dus graag soaps kijken) en mannen door dat naar vrijheid (en dus interesse hebben in sportwedstrijden).

Zo, da’s duidelijk…

Ik denk maar weer eens: dus dan ben ik een man? Bij dat soort sweeping statements over ‘mannen zijn zus en vrouwen zijn zo’ denk ik dat wel eens vaker.

Op zich is het wel fijn dat het daar expliciet staat, want het was me al gaan opvallen: in het hele boek zijn vrouwen vooral bezig met moeder zijn, trouwen, afvallen of een partner vinden en mannen met opleidingen, carrière en promotie maken.

Dat kan toch niet meer? Ik heb nog even gekeken of het boek echt van 2020 was. Ja.

Zucht.

 

Door |2021-02-17T10:19:44+01:0017 februari 2021|Boeken|0 Reacties

Te veel sporten –> hartklachten

Ik heb de laatste tijd af en toe een filmpje gekeken van Stephen Seiler. Dat was al interessant, maar het leverde indirect nog meer op: een goed boek.

Seiler is een grote naam in de duursportwetenschap en -praktijk. Zijn filmpjes voor een wat breder publiek van geïnformeerde leken (coaches en sporters) zijn hartstikke leerzam. Ze zijn alleen wel ook eigenlijk net te saai: je ziet hem zitten praten met wat slides. Om daar een uur alleen naar te zitten kijken en luisteren vraagt veel van mijn zitvlees. Wat gelukkig nog wel aardige afleiding geeft, is dat hij voor z’n boekenkast zit. Boeken, jummie!

En zo viel mijn oog op een interessante titel – een boek dat zelfs twee keer in Seilers boekenkast staat, al viel de tweede (de bovenste pijl) me pas op nadat ik het boek zelf gekocht had:

The Haywire Heart. Vanwege mijn eigen boezemfibrilleren was ik meteen benieuwd, ik zocht het boek op en toen móest ik het wel lezen. De ondertitel is namelijk: How too much exercise can kill you, and what you can do to protect your heart.

Ik haal uit het boek drie lessen: een verontrustende en twee geruststellende.

De verontrustende les is dat het wel degelijk zo is dat je van langdurig overmatig veel sporten hartklachten kan krijgen: schade aan je hart die niet altijd te herstellen is. Het gaat vaak om hartritmestoornissen, en waarschijnlijk gaat het om een combinatie van enerzijds de lage rusthartslag waardoor het hart af en toe een eigen extra klopje ‘uit de maat’ geeft en littekenweefsel op het hart zelf, waardoor het uit die maat blijft. Mijzelf was al opgevallen dat ik meer hartkloppingen heb als ik in topvorm ben – dan is mijn rusthartslag het laagst.

De geruststellende lessen zijn enerzijds dat je dan nog wel veel meer en vooral ook op een andere manier moet sporten dan ik en anderzijds dat het relatief milde hartklachten betreft, in de zin van: je valt er niet zomaar dood door neer. Dat overkomt sporters wel, maar dat is op middelbare leeftijd toch meestal een ‘gewoon’ hartinfarct.

Over dat veel meer en anders sporten: het gaat om te veel sporten, al maken de auteurs nergens expliciet duidelijk wat te veel is. Vooral uit de interviews komt het beeld naar voren van sporters die decennialang altijd ‘aan’ hebben gestaan: ze combineerden zwaar en lang trainen met meer dan fulltime werken én veel reizen. Ze zijn of waren zéér competitief en konden het dus nooit eens rustig aan doen. Ze geven achteraf toe dat ze eigenlijk permanent overtraind waren. Ze onderkennen sportverslaving bij zichzelf. Enzovoort. Ik kende één naam, nogal een grote in de triathlon: Dave Scott.

(Methodologische terzijde: dit type mensen – vroeger heette het type A, dat hoor je niet meer zo vaak – is mogelijk sowieso vatbaarder voor hartklachten, dan is het vele sporten dus mogelijk geen causale maar een correlationele factor – daar gaat het boek niet op in, ik las zoiets vorig jaar ergens, weet helaas niet meer waar. Dat is sowieso lastig qua bewijsvoering: bepaalde patiënten ontwikkelen hartritmestoornissen na jarenlang veel sporten, maar post hoc is nog geen propter hoc.)

Het type hartritmestoornissen waar het om gaat (onder andere boezemfibrilleren, maar ook andere en zeker ook ernstigere) voel je als sporter wel of je ziet het op je hartslagmeter en dan heb je nog ruim de tijd om medische hulp te zoeken. Het hart geeft dus wel degelijk waarschuwingssignalen, maar daar moet je wel naar luisteren. Als het nodig is, is vaak behandeling mogelijk, maar echt helemaal te genezen of op te lossen is de kwaal niet altijd. Je kunt er vaak goed mee leven, maar niet meer sporten op het niveau dat je gewend was. Doorgaan op de oude voet kan fataal zijn.

Het belangrijkste advies van het boek is daarom: als je je hart iets geks voelt doen, iets wat voor jou niet normaal is, ga dan altijd naar de dokter. Dus als je hart ineens veel sneller slaat en/of onregelmatiger dan anders. Doe dan ook bij druk of pijn op de borst, verder onverklaarbare kortademigheid, (bijna-)flauwvallen, vermoeidheid of conditionele achteruitgang.

Het boek zegt dan wel: zoek een goede arts – veel artsen hebben onvoldoende verstand van duursport, de beoefenaren daarvan en hun harten. Laat je niet met een kluitje in het riet sturen, vooral als vrouw niet. Bij hen worden hartkloppingen schokkend vaak als ‘stress’ afgedaan namelijk. (Ikzelf heb overigens nu goede hoop dat het boezemfibrilleren bij mij een overgangsklachtje was; ik heb al maanden nergens meer last van, ik duim dat het over is!)

Het boek is tot slot zeer zeker ook een pleidooi om verantwoord te trainen: gedoseerd en weloverwogen, en met voldoende rust. De sporters in de interviews moesten dat ook gaan doen, na al die jaren roofbouw en soms zwaar verslaafd. Ze hebben daar bijna stuk voor stuk moeite mee, of minstens gehad. En één geportretteerde sporter was niet meer te interviewen, want die is wel degelijk overleden tijdens een ultraloop in de wildernis. Mogelijk is die mede overleden aan een ontkenning van het probleem.

 

Door |2021-01-22T18:21:47+01:0022 januari 2021|Boeken, Triathlon algemeen, Vrouwensport|0 Reacties

Fietspadzorgen

Afgelopen week stond er in de NRC een ingezonden brief die ik herkenbaar vond:

Ik ben nog nooit tegen een e-bike opgebotst, maar wat ik zeker herken is dat de snelheid van e-bikes op het ogenblik het probleem niet is. Op mijn grote ronde van afgelopen donderdag heb ik tientallen (misschien wel meer dan honderd?) e-bikes ingehaald, ik ben er door geen één zelf ingehaald. Ja, ik reed op een racefiets, maar ik kwam thuis met een gemiddelde van nog geen 25 km/u, dat is niet echt raggen, lijkt me. In mijn eerdere lange tocht naar Vlissingen verbaasde ik me er juist over hoe langzaam sommige e-bikers rijden, in inderdaad standaard breeduit naast elkaar. Ik bel me helemaal suf.

De snelheid is dus volgens mij niet het probleem, wel twee andere dingen:

  • Inderdaad de onberekenbaarheid van sommige e-bikers, die volgens mij zeker voor een groot deel komt doordat er veel mensen op rondrijden die eigenlijk niet zo goed kunnen fietsen en het zonder die trapondersteuning niet of nauwelijks zouden doen. Het motortje maskeert als het ware hun gebrek aan vaardigheid. Hand uitsteken is sowieso een vergeten praktijk, lijkt het wel, en ik kan me erover verbazen hoe zeer mensen verschrikt opkijken en hoe traag ze reageren als ik wil inhalen. Alsof het feit dat er anderen op het fietspad zijn nieuw voor ze is – in de toeristendrukte.
  • Niet de snelheid als zodanig, maar het snelheidsverschil. Het baart me al jaren zorgen dat dat op het fietspad meer dan een factor tien bedraagt: de langzaamsten gaan zo’n 4 km per uur (wandelaars, al dan niet met kinderwagen of hond, ouders die hun peuter leren fietsen), de snelsten meer dan 40 (speed-pedelecs). Dat is dus alsof je midden op de snelweg ineens een jogger tegen kunt komen. Waarvan een deel nog breed is ook: bakfietsen bijvoorbeeld, en donderdag kwamen er bij Ouddorp quads het fietspad op – gelukkig achter me (wat een herrie ook!).

Ik begreep dat ook in Het Parool een ‘fietspad-discussie’ woedt, waar gister iemand via Twitter ook weer zeer herkenbaar op reageerde (dit draadje – het gevoel van het ‘schriftelijke verzoek in drievoud’, haha, ja!). Het speelt al jaren, maar er zijn volgens mij de laatste maanden een paar ontwikkelingen bij gekomen die het weer zeer actueel maken:

  • Er zijn in de lockdown een boel mensen gaan fietsen die dat anders niet deden, velen daarvan op een e-bike. Het is op sommige plekken en momenten dan ook knetterdruk – drukker dan ooit tevoren. Wij telden bij ons voor op 5 mei meer dan 400 fietsers per uur, en die moeten iets verderop een fietspad op dat ze delen met wandelaars, hardlopers en skeeleraars. Eigenlijk op 1,5 meter afstand nog ook, maar dat kun je sowieso schudden. Ik denk al sinds maart: waarom mogen snelle fietsers daar niet over de weg? Auto’s rijden er amper.
  • Wat gewoon fietsen is, is omgeslagen naar de e-bike. Toen wij vorige maand aan het fietsen waren, werden we er al op aangesproken waarom we het onszelf ‘aandoen’, zelf trappen, buiten de bebouwde kom zie je nauwelijks meer mensen op gewone fietsen, en van de week constateerde ik dat zelfs in de taal zelf trappen de uitzondering is geworden, althans op de website van de ANWB: dat heet nu ‘niet-elektrisch fietsen’ (zie mijn andere blog).

Samen betekent dit dat er relatief veel ‘newbies’ rondfietsen op e-bikes. Die wonderbaarlijk trage e-bikes in Zeeland, dat zijn veelal Duitse toeristen. Die krijgen kennelijk klakkeloos een e-bike mee van een verhuurder, terwijl ze eigenlijk nauwelijks kunnen fietsen. Ook de buitenlandse fietsers van de boat&bike-tours die langs ons huis komen, rijden sinds dit jaar allemaal op een e-bike – en die zijn ook niet heel ervaren, zal ik maar zeggen. De trapondersteuning maskeert hun gebrek aan vaardigheid. Tijdens de lockdown zag ik ergens buitenaf een 80+-dame die gevallen was omdat haar e-bike tot stilstand was gekomen tegen een opritje de dijk op, afstappen was niet gelukt. Ik vroeg me toen af: wat doet zo iemand daar? Zonder trapondersteuning had ze zo’n rit niet gemaakt, en was bovendien haar fiets lichter en dus beter te hanteren geweest.

Waar het op neerkomt, is dat we het als fietspadgebruikers met z’n allen moeten zien te rooien. Niemand van ons heeft meer recht op het fietspad dan een andere groep. Geen van de groepen is in z’n eentje ‘schuldig’ aan het snel- en vaardigheidsverschil – en aan het feit dat de infrastructuur niet is ontworpen voor wat er nu op fietspaden gebeurt.

Ik ben alleen, ik doe m’n best, ik betracht geduld, ik zoek mijn plekken en mijn momenten (ben donderdag nog een smal fietspad zo snel mogelijk weer af gegaan omdat het er erg druk was), ik trek tegenwoordig zelfs bewust een bloemetjesshirt aan om herkenbaarder te zijn als vrouw en zo minder agressie op te roepen en – zo is mijn indruk – vaker voorrang te krijgen (al ben ik in 300 km fietsen toch nog drie keer met ‘meneer’ toegeroepen). Maar niets menselijks is mij vreemd, dus ik raak ook wel eens ongeduldig en geïrriteerd.

Ik maak me bovendien zorgen over hoe het verder moet. Die quads donderdag bijvoorbeeld, daar schrok ik echt van: niet ook dat nog erbij op het fietspad – alsjeblieft! Af en toe voelt het beperkt: alsof ik alleen nog tussen, zeg, 10 en 12 op een doordeweekse dag op de parallelweg van de snelweg onbezorgd door kan fietsen. Zo plan ik m’n intervaltrainingen inmiddels, en dan hoop ik ook nog op niet al te best weer.

Het ergst vind ik de onrechtvaardigheid van overal de schuld van krijgen. Wat ik al heel lang zeg: ik heb door mijn behendigheid met sturen en remmen al een heleboel ongelukken voorkomen, vandaar dat het soms wrang is om als ‘wielrenner’ standaard zo veel shit over me heen te krijgen. Ik kan nog heel wat anekdotes vertellen, zal ik maar zeggen. Onlangs nog: ik reed op een fietspad, had voorrang, maar kreeg dat niet van een automobilist. Ik kon een botsing nog nét vermijden, en toen werd hij boos op mij: ‘jullie rijden altijd zo hard’ beet hij me toe, voorzien van enkele krachttermen. Pardon, er is geen jullie, er is alleen een ik, en die had voorrang. Ik kwam in tranen thuis, was zelf erg geschrokken en toen die scheldpartij er nog overheen.

Maar ik moet zeggen: in die 300 kilometers van de afgelopen weken heb ik vrij weinig last gehad van gevloek en gescheld en dergelijke. Een tijdje terug vond ik dat ‘men’ elkaar enorm de maat nam in de publieke ruimte. Dat speelt nog steeds: afgelopen zondag werd ik bij het hardloper nog toegebruld dat ik op 1,5 meter moest blijven door een fietser – op een smal voetpaadje (ook weer zoiets: ik had de indruk dat hij niet besefte dat er iets niet klopte aan wat hij aan het doen was, mogelijk ook onervarenheid?). Maar als in die 300 kilometer op de racefiets, soms in fikse drukte, is de verbale agressie relatief meegevallen. Dat moet ik al die e-toeristen dan weer wel nageven.

Voor alle duidelijkheid: ik ben niet per se anti-e-bike. Voor mijn schoonvader die afgelopen woensdag 88 werd en twee reanimaties heeft overleefd, is het de enige manier waarop hij nog zelfstandig ergens kan komen. Als het mensen uit de auto houdt – okee dan (al zou ik dan ook nog zeggen: trap liever zelf). Maar dat laatste schijnt amper zo te werken.

Ik vind de e-bike wel te dominant, te klakkeloos. Ik mis daarbij visie vanuit de overheid op wat er moet gebeuren om fietspaden leefbaar te houden. Ik was daarom wel blij met Het recht van de snelste, een geweldig boek dat ik onlangs las. Ik herkende er veel in, maar ik leerde er ook een boel van. Voor wie zich ook zorgen maakt over hoe het verder moet op en met het fietspad: vooral lezen!

Niet dat ik nu weet hoe het moet, maar gelukkig zijn er wel mensen mee bezig. Volgens het boek past de opmars van de e-bike in de dominante cultuur waarin alles steeds sneller en efficiënter moet, en hebben we zo een nieuwe onveilige ruimte gecreëerd die lijkt op de weg, waar auto’s langzame verkeersdeelnemers naar het leven staan.

Zelf trappen is gezonder, veiliger, goedkoper en beter voor het milieu (die stroom en accu’s moeten ook gemaakt worden, hè). In de omkering tussen gewoon en elektrisch fietsen gaat bovendien wat mij betreft iets wezenlijks verloren: de ervaring van ergens komen op je eigen kracht, met acceptatie van de grenzen daarvan. Dan ga je maar wat minder ver of wat langzamer – wat is daar precies het probleem van?

 

Door |2020-07-25T12:06:12+02:0025 juli 2020|Boeken, Fiets, Vrouwensport|2 Reacties

Lustrum!

Ai, had ik het net te laat in de gaten: op 3 november bestond dit weblog 5 jaar! Op 3 november 2014 verscheen de eerste post.

Grappig, ik had toen nooit gedacht dat het blog een lustrum zou gaan meemaken. Het was bedoeld voor die hele triathlon, een kleine twee jaar later. Misschien nog wat nasleep, en dat was het dan. Maar ik ben gewoon verder gegaan met schrijven. 

Als ik terugblik op die vijf jaar, dan voel ik nog steeds trots en blijdschap over wat de aanleiding was: die ene hele triathlon op m’n 50e. Leuk ook dat ik toen ben gaan schrijven, ook al was het nog zo onzeker en was ik bang dat het een faal-blog zou worden.

Het is gelukt. Ik heb me niet laten inpakken door faalangst. Dat heeft me meer zelfvertrouwen gegeven, meer rust misschien ook. Ik voel me een ‘volwassener’ en wijzer sporter. Door wat ik zelf heb gedaan en gepresteerd, maar ook door wat ik heb geleerd door trainer te worden (iets wat ik vijf jaar geleden niet had voorzien), door te praten met anderen en door te lezen en te schrijven. Net als met mijn zakelijke blog leer ik zelf door het schrijven, omdat dat me dwingt mijn gedachten tot in de puntjes uit te denken.

Ik ben zeker ook wijzer geworden door de vele tegenslagen die ik heb overwonnen. Als één ding anders is gelopen dan ik had voorzien, is dat de mate waarin dit Louises kwakkelweblog werd. Man-o-man, wat een boel blessures en andere fysieke ongein is er gepasseerd in die vijf jaar. Voorop staan de overgang en de ‘scheeftrekblessure‘. Die laatste is ook bijna aan een lustrum toe, en hopelijk gaat-ie dat niet halen, want ik ben daar al een tijdje hoopvol mee bezig – voor het eerst in jaren verandert er echt wat. Daarover een andere keer meer, want ik wil niet te vroeg juichen. Ook de overgang is haar grip aan het verliezen; ik voel me stabieler dan in heel lang.

Voor de volgende vijf jaar wens ik mezelf eigenlijk vooral meer stabiliteit toe. Van bekken, van hormonen en van leven en van body, mind and soul in het algemeen. Met sporten hangt dat dubbel samen: sporten helpt om te stabiliseren, maar stabiliteit helpt ook bij het sporten. Soms denk ik nog steeds wel eens – als ik me nou eens wat langer stabiel goed voel, zal ik het dan toch nóg eens proberen, zo’n hele triathlon? 

Door |2019-12-09T15:54:43+01:009 december 2019|Boeken, Trainer, Triathlon algemeen, Waarom|2 Reacties

Zelfverwoesting? Nee, begrenzing!

Cover boekDan het laatste boek van de serie zomerrecensies op dit blog van de laatste weken, en dat is bepaald niet het minste: het heeft me van allemaal het meest aangezet tot nadenken. Het is niet een echt sportboek, maar ik zag wel de relevantie. Het gaat om Het Zelfverwoestingsboek van Marian Donner. Ik heb er zo veel over te zeggen dat dit eigenlijk meer een essay is dan een recensie. Met uiteindelijk als wijze les: bepaal weloverwogen je sportdoelen.

Het kan altijd beter

Het eerste belangrijke punt dat Donner maakt, past in een trend – ik had het hier eerder bijvoorbeeld ook al over Intimiteit, dat zit ook in die hoek, en in de media hoor ik er ook regelmatig over: de observatie dat de huidige maatschappijvorm (noem het maar het neoliberale kapitalisme), aanzet tot een onbegrensde individuele verbeterdrang. Je kunt altijd nog beter, mooier, succesvoller, gezonder, slanker, rijker, sneller en sterker worden, en dat ‘moet’ ook, om te kunnen scoren, bijvoorbeeld op de sociale media – waarvan ook het aantal likes altijd meer kan.

In drie woorden samengevat: ‘Better never stops’.

Verbeteren is op zich mooi natuurlijk, het is mogelijk zelfs een ingebouwde behoefte van de mens – de oude Grieken hadden het er in elk geval al over. En enige mate van zelfdisciplinering is ook niet verkeerd en ook niet voorbehouden aan het huidige tijdsgewricht.

Maar al dat verbeteren heeft momenteel een keerzijde: de permanente onvrede van het nooit goed genoeg zijn en het over je grenzen gejaagd worden omdat álles beter moet. Dat wordt wel gezien als de oorzaak van de epidemie van onder andere depressie en burn-out.

En als je dat krijgt, ligt dat ook weer aan jezelf: je bent een ‘loser’ als je niet mee kan komen. Je hebt dan niet genoeg je best gedaan.

Het is een knetterhard mensbeeld. Ik ben blij met zoveel kritische publicaties erover. Dat maakt mij bewuster en het geeft ook hoop op verandering.

Je kunt ook jezelf altijd verbeteren

Maar Donner gaat verder. Ze betoogt dat ook het ‘werken aan jezelf’ mateloos kan zijn. Je kunt altijd een nog beter mens worden. Ook dat is nooit goed genoeg. Kijk maar naar de hoeveelheid zelfhulpboeken.

Daar begint het voor mij een beetje te jeuken. Want ook ik doe daaraan mee. Het hele idee van sportkunstenaar, van sport als levenskunst is dat je van sporten een beter mens wordt: stronger, wiser, kinder, in de woorden van één van mijn inspiratiebronnen.

Dat ‘moet’ dus kennelijk, een beter mens worden? Altijd maar op jacht naar stronger, wiser, kinder? Daarin schuilt datzelfde risico van mateloosheid. En van dus eigenlijk ook nooit zomaar goed genoeg zijn.

En er is nog iets. Door al dat werken aan onszelf komen we niet toe aan werken aan een betere, andere wereld. Altijd maar beter zijn met jezelf verbeteren draagt bij aan het behoud van de status quo. Ook daarin heeft het neoliberale kapitalisme het goed voor elkaar.

Nou, die zat. Ik las het boek vlak voor de triathlon van Klazienaveen, en op één moment in het parc fermé voor de start keek ik om me heen en dacht ik: ‘en wat als al deze mensen nou eens deze dag niet aan een triathlon hadden besteed, maar aan het werken aan een betere wereld?’ Ik had op dat moment acuut kunnen stoppen met sporten.

Ik ben gewoon van start gegaan, en heb met plezier en toewijding gesport. Maar de vraag heeft me sindsdien niet meer losgelaten. Hoe verhoudt sport als levenskunst zich tot de wens of zelfs noodzaak de wereld te verbeteren? Donner heeft het daar niet rechtstreeks over, ik heb er zelf over doorgedacht.

De wereld verbeteren

Die noodzaak tot het veranderen van de wereld is er, volgens mij: ik maak me zorgen over de klimaatcrisis en over de toenemende ongelijkheid tussen de ‘have’s’ en de ‘have not’s’ die tot zo veel polarisatie leidt. Aan de klimaatcrisis draagt mijn sporten rechtstreeks bij: wij gebruiken onze auto bijna alleen maar om naar sportevenementen te gaan; ik vlieg regelmatig om ergens anders te gaan fietsen, van een weekje Portugal of Mallorca tot de halve wereld over; onze volgende plannen betreffen Azië.

Maar de oplossing is niet simpel. Stoppen met sporten? Nee, dat is ‘m zeker niet. Om minstens drie redenen.

In de eerste plaats, dat heb ik hier ook al vaker geschreven: ik heb sporten nodig voor zowel mijn lijf als mijn hoofd. Dat je dingen ‘moet’ doen om je staande te houden in de wereld en mee te doen in de maatschappij, dat erkent Donner ook. Als ik niet zou sporten, zou ik bovendien onhebbelijker zijn, m’n frustratie eerder uiten richting andere mensen. Ook dat kan niet de bedoeling zijn, en het verbetert zeker de wereld niet. Op die wereld heb ik maar weinig grip. Heel veel tijd stoppen in het verbeteren ervan zou daarom tot machteloze frustratie leiden – niet te harden.

Ten tweede: zelf ineens heel erg goed je best moeten doen om maar, bijvoorbeeld, klimaatbewust te leven is precies diezelfde valkuil: het moet altijd beter, je kunt altijd meer doen, en als je dat niet doet, ligt het aan je jezelf. Het neoliberale dogma, maar dan in een alternatieve vorm.

Als we allemaal diep gebukt gaan onder vliegschaamte, hoeven de RyanAirs en de KLM’s van deze wereld niet te veranderen, hoeft ook de regelgeving op vlieggebied niet te veranderen. Dan laden we op onze eigen schouders wat in een groter verband niet klopt.

Ten derde: ik vind sporten leuk, ik kan er enorm van genieten. Het boek heeft als ondertitel ‘waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden en dansen’. Zo heel letterlijk bedoelt Donner dat niet, net zoals ze ook heus niet vindt dat we onszelf moeten verwoesten. Ze bedoelt wel dat er aan dingen simpelweg voor de lol of zomaar doen, niks mis is. Niet alles hoeft een verbeterproject te zijn. Ook werken aan een betere wereld niet, dat kan ook weer ‘moeten’ worden.

Doe nou eens gewoon niks moeten, dat is Donners zelfverwoesting. Wees eens níet streng voor jezelf. Faal, wijk af, wees ongezond en lelijk – en ondermijn daarmee dat harde systeem. In plaats van je er dienstbaar aan te maken.

Dus er is niks mis met sporten, zo lang dat maar niet helemaal in het licht komt te staan van altijd maar beter, sneller, verder, sterker, gezonder, slanker, toffer, mooier, enzovoort.

Begrensd sporten

Oftewel: er is niks mis met sporten, zo lang je maat houdt. Dat voegt dit boek toe aan hoe ik sport als levenskunst zie: er is een noodzaak tot begrenzing, tot goed genoeg zijn. Het moet niet altijd meer zijn.

Dat zit hem er vooral in dat je bij het bepalen van je doelen de afweging maakt: als ik dit doe, ten koste van wat gaat dat dan, en is dat het me waard? Hoe wil ik leven?

Voor mij is dat in helder geworden door dat jaar van m’n hele triathlon. Dat was gaaf, maar er moest zo veel voor wijken dat ik het niet voor herhaling vatbaar vond. Ik wil een leven met plek voor weekendjes wandelen met vriendinnen, voor bloedgeven als donor en voor Buitenkunst – dat waren concrete voorbeelden van dingen die ik dat jaar niet kon doen.

Ik denk dat ik in staat zou zijn om een hele triathlon te volbrengen in minder tijd dan de 15u18 van 28 augustus 2016. Dat kriebelt af en toe, en dat heeft het bij vlagen zelfs best sterk gedaan. Zal ik nog een keer? Maar nee, de prijs die ik daarvoor moet betalen is me te hoog: mijn leven wordt dan te eenzijdig.

Want dat is verstopt onder ‘better never stops’: dat elke keuze voor meer en beter ook ten koste gaan van iets anders. Ik volg een paar sportgerelateerde accounts op Twitter en als ik zie hoe veel tips voor beter trainen, eten en herstellen daar passeren in een week… dat trekt allemaal, maar ik zou een dagtaak hebben aan ze allemaal uitvoeren.

Er kan een heleboel, maar moet het ook? Nee dus. Het kan zelfs niet, en dat is een belangrijk besef.

Begrenzing geldt in het bijzonder ook voor materiaal, want daarin komt dat neoliberale kapitalisme helemaal tot uitdrukking natuurlijk: je materiaal kan ook altijd nog beter, en dan word je sneller. Je kunt je, zeker in de triathlonsport, helemaal arm kopen en zo grote bedrijven rijk maken.

En ja, dat levert wat op. Ik heb bijvoorbeeld zelf nagedacht over andere wielen. Ik rijd op de doodgewone wielen die bij mijn fiets geleverd werden. Daarmee ben ik bij langere wedstrijden een uitzondering: met hoge velgen of zelfs een dicht achterwiel zou ik sneller kunnen zijn. Maar dan hebben we het over honderden euro’s. Ik trek daar een grens: dat vind ik het niet waard.

Het gaat om het trekken van zulke grenzen. Waar ze precies liggen, daarin zullen mensen van elkaar verschillen. Eén van de overwegingen kan zijn of je tijd en aandacht vrij wil maken om je in te zetten voor een betere wereld. Dat ‘moet’ niet, maar het is wel de overweging waard. Ik ben daar nog niet uit trouwens. Ik doe wel wat dingen, maar is het genoeg? En wat zou een volgende stap kunnen zijn? Ik heb geen idee.

Een andere overweging is dat er voldoende ruimte in je leven over moet blijven om te ‘stinken, drinken, bloeden, branden en dansen’ – in Donners woorden. Dus niet alleen maar strak in de presteer- en verbeterdiscipline, maar ook rustig kunnen aanklooien en ‘slechte’ dingen doen – nouja, die zijn dus niet slecht.

Sport als levenskunst in het neoliberale kapitalistische tijdperk betekent dus ook: niet klakkeloos meegaan in het verder, sneller, meer en beter. Grenzen trekken, bezinnen, alleen en samen. Ook dat is sportkunstenaarschap.

* * *

Tot slot drie andere dingen die ik me voorneem om te ontkomen aan de ‘altijd beter/nooit goed genoeg’-drang:

  1. Voortdurend mijn vinger aan de pols: in hoeverre geniet ik van wat ik aan het doen ben met mijn sport? Is het goed puur omwille van zichzelf? Ik wist altijd al dat dat belangrijk was, maar in mijn prioriteitenlijst is het toch nog maar weer eens gestegen. Ik neem me ook opnieuw voor andere sporters juist daarnaar te vragen – in hoeverre heb je genoten? Dat is belangrijker dan de tijd of welk ander prestatie- of verbeterdoel dan ook.
  2. Vieren wat ik bereik. Mijn prestatie accepteren als zijnde het beste wat mijn lijf in die omstandigheden eruit weet te schudden – en dat is dus goed genoeg. Het hoeft niet altijd beter. Elke prestatie verdient onvoorwaardelijke aandacht. Dat neem ik me ook voor in contact met anderen: als iemand een halve marathon heeft gedaan, niet vragen wanneer de hele volgt, of een snellere. Gewoon blij zijn met die halve marathon. Of zelfs met een ‘mislukking’. Ik heb dit al in de praktijk gebracht in Klazienaveen: ja, ik wilde onder de 6 uur, en nee, dat  is niet gelukt, maar het was toch okee, want dat is wat mijn benen wilden, na die training en onder die omstandigheden.
  3. En ja, het sterker, wijzer, aardiger worden heeft ook nog altijd z’n plek. Zeker als je ‘aardiger’ oprekt tot ‘socialer’. Want levenskunst is niet per se alleen maar met jezelf bezig zijn. Je kunt wel degelijk met sporten een beter mens worden, en een beter mens betekent een betere wereld – in je eigen directe omgeving.

 

Door |2019-08-31T18:16:21+02:0031 augustus 2019|Boeken, Triathlon algemeen, Waarom|1 Reactie

Sportbrein viel een beetje tegen

Volgende boek (hierna nog één, althans, als ik niet tussentijds wéér iets leuks lees): Het sportbrein. Mythes uit de sportpsychologie ontrafeld. Dat viel me een beetje tegen. Dat is natuurlijk altijd een kwestie van verwachtingen: op basis van de ondertitel had ik meer ‘debunking’ van mythes verwacht. Dat is echter maar af en toe een paginaatje. De rest is eigenlijk een algemene inleiding in de sportpsychologie en mentale training.

Over die mythes: dat is leuk, ik houd van het ontzenuwen van onwaarheden. Die pagina’s zijn dus ook de sterke kant van het boek. Het gaat om van die zaken als ‘Je moet steeds 100 % gefocust’ zijn – dat kan helemaal niet. Of ‘never change a winning team’. Jawel, want anders dreigt het op je lauweren rusten of de wet van de remmende voorsprong. Enzovoort.

Over de rest, dus het meer algemene gedeelte: dat is denk ik interessant voor beginners in de sportpsychologie en de mentale training. Ik wist het eigenlijk allemaal al. En ik vind Focus veel beter. Vooral omdat dat boek een duidelijke invalshoek kiest en die uitwerkt. Het Sportbrein doet van alles een beetje, en ik ben bang dat het daardoor ook weinig praktisch is.

Het ‘ergste’ voorbeeld van de vluchtigheid is de bespreking van de Wave Work Roles. Dat  zijn acht rollen, maar ‘om de leesbaarheid niet in het gedrang te brengen’ (p. 44) staan er maar drie beschreven. Huh? Die drie rollen staan elk op één pagina met een plaatje erbij. Mij lijkt dat je ze makkelijk alle acht zo zou kunnen beschrijven. Een lezer voor wie dat te ver gaat, bladert er zo doorheen.

Maar goed. Lezers helpen, dat is mijn andere vak.

 

Door |2019-08-21T12:49:51+02:0021 augustus 2019|Boeken|0 Reacties

Twee lekkere leesboeken

Nog even door met m’n leesverslagen. Ik heb twee lekkere leesboeken gelezen:

Lopen voor je leven, van Els Beerten. Eigenlijk een boek voor jongeren, maar ik vond het als 50+’er ook de moeite waard. Hooguit is de opbouw wat simpel: er is ‘iets’ ergs gebeurd in het leven van de hoofdpersoon, Noor, en daar krijg je gaandeweg zo hier en daar een hint over, en pas aan het eind wordt het uitgelegd. Dat is een nogal recht-toe-recht-ane spanningsboog, die overigens wel aanzet tot doorlezen.
Dat erge inspireert Noor tot hardlopen, ze blijkt een talent, en ze loopt al op haar achttiende een marathon. Het boek telt de kilometers van die marathon af, om en om met hoe ze de wedstrijd beleeft en terugblikken op haar leven, hoe ze tot daar gekomen is. Met dat erge dus, maar ook met hardlopen als manier om vrij te zijn. Noor is zeker een sportkunstenaar!

Life’s too short to go so f*cking slow. Lessons from an epic friendship that went the distance, van Susan Lacke. Een echt heus triathlonleesboek, dat was al even geleden! Deze hoofdpersoon, Susan zelf, is niet happy met haar leven en haar lijf als ze een Ironman-triatleet leert kennen. Deze inspireert haar, ze gaat ook sporten. Lopen gaat haar al gauw goed af; het blijft altijd grappig hoe knullig Amerikanen zijn op de fiets en ook eerste-triathlon-ervaringen zijn sappig. Ze schrijft zich al heel gauw in voor ook een hele Ironman, en die finishen lukt nog ook (enigszins jaloersmakend makkelijk….). Haar leven verbetert ondertussen aanzienlijk. Maar dan wordt die vriend ziek, en maakt ze voor het eerst mee dat ze bij een wedstrijd niet kan finishen.
Haar eigen verhaal is me misschien net iets te zondagskinderig, maar het verhaal over Carlos laat zien dat het leven niet maakbaar is. In het laatste gedeelte van het boek hield ik het dan ook niet droog. Het is erg lekker geschreven!

 

Door |2019-08-19T17:20:51+02:0019 augustus 2019|Boeken, Loop, Triathlon algemeen|0 Reacties
Ga naar de bovenkant