Ik keek er de laatste paar weken een paar keer van op hoe moe ik was na iets zwaars. Met m’n 60e verjaardag net achter de rug dringt zich dan de vraag op: herstel ik op deze leeftijd slechter?
Het korte antwoord: ik heb geen idee. Ik weet al uit wat ik erover gelezen heb dat herstel een dusdanig slecht meetbaar proces is dat niet goed is vast te stellen in welke mate je langzamer herstelt als je ouder wordt. Ik bedoel: iedereen zegt dat, dat je dan langzamer herstelt, maar meetbaar is dat niet. Omdat een groot deel van herstel sowieso niet meetbaar is. Herstel is iets wat plaatsvindt in een nog niet helemaal opgehelderde wisselwerking tussen lichaam en geest. Eén aspect daarvan is dat als je denkt dat je niet goed hersteld bent, dat ook zo is – en omgekeerd.
Ik ging wat mijmeren over die vraag en toen bedacht ik al gauw dat ik onderscheid moet maken tussen twee soorten herstel:
- Bijkomen van lichamelijke inspanning, zoals een zware training of wedstrijd. Sportief herstel, zeg maar, de meest standaard opvatting van herstel in de sport. Nou, daarover kan ik eigenlijk niks zinnigs zeggen, omdat ik nooit eerder gesport heb zoals nu. Ik ben voor het eerst ooit aan het trainen voor een korte loopafstand (3 kilometer), dus weinig omvang maar wel veel intensiteit (relatief, en voor mijn doen), in combinatie met fietsen gericht op de volgende fietsvakantie. De combinatie is relatief veel ‘benenwerk’, en dat heb ik wel gevoeld. Meer dan vroeger? Geen idee, want toen trainde ik anders.
- Bijkomen van de rest van mijn leven, zal ik maar zeggen. Van zware dagen. Van op mijn tenen lopen en van overprikkeling enzo. Als ik minder goed herstel dan toen ik jonger was, is het op dit gebied, maar ook dat is hele moeilijk te zeggen, want ook die zwaarte is slecht te vergelijken met vroeger. Ik werk dat hieronder uit.
De vermoeidheid van de afgelopen weken betrof twee vrijdagen achter elkaar waarop ik in de Randstad moest zijn voor werk. Dat zijn sowieso lange dagen met vroeg op en veel reistijd. De eerste dag beschreef ik op mijn andere weblog. Nog een week later had ik een nog veel langere dag in Utrecht, met werk en etentje. Leuke dag die vlekkeloos verliep totdat ik aan de terugreis begon: half uur vertraging die ik doorbracht op steenkoude, tochtige perrons, daardoor na middernacht thuis, en het laatste stukje werd de trein overspoeld met een carnavalsmeute. Dus waar ik naar mijn bed zat te verlangen moest ik me nog verhouden tot een boel herrie en gehos. Het was gelukkig niet agressief (de late Zeeuwse treinen zijn berucht).
Van beide dagen moest ik daarna langer dan één dag bijkomen, en dat vond ik lang. Na die eerste vrijdag liep ik op zondag een moeizame duurloop, en na die tweede haalde ik zelfs op maandag nog mijn normale loopintervaltempo’s niet, overigens wel na zondag een stevige fietstraining in de vorm van twee Zwift-activiteiten. Hieronder een screenshot van een moment daaruit, bij gebrek aan hardloopfoto’s van de laatste tijd:

Die sessie ging goed, maar een dag later was ik moe. Dus dan ga ik toch denken: het hakt er meer in dan vroeger. Maar tegelijkertijd weet ik: ik heb geen idee met wat in mijn verleden ik ze moet vergelijken:
- Niet met wat, want ik heb nooit eerder rond middernacht in een hossende trein gezeten, en vroeger reisde ik niet steeds over zulke afstanden. Ik wist toen we naar Zeeland verhuisden dat het reizen het heikele punt zou zijn van hier wonen, omdat het tijd en energie kost. Dat mag ook, er staat veel tegenover, en meestal gaat het goed. Dit was nogal wat pech in korte tijd. Dus misschien waren deze dagen gewoon zwaar. Of misschien heb ik wat minder energie tot mijn beschikking dan vroeger, waardoor een even zware dag als toen nu relatief belastender is?
- Niet met wanneer: ik heb eigenlijk geen enkel betrouwbaar ijkpunt. Ik moet niet 1 of 2 jaar terugkijken, want als ik dan achteruitgang zou merken, moet ik gauw naar de dokter, want zo hard slaat de leeftijd niet toe. En als ik langer terugkijk, is er geen enkel moment waarop mijn leven zo liep als nu. Twee jaar geleden verhuisde ik, daarvoor had ik een darmontsteking en kon ik zulke drukke dagen vaak helemaal niet aan, daarvoor was het corona-tijd en was alles anders, daarvoor had ik jarenlang last van de overgang, dan zijn we ineens al in 2011, toen had ik heftige gordelroos, eind 2009 overleed mijn moeder met voorgeschiedenis en nasleep, het jaar daarvoor zat ik 4 maanden in Afrika en kwam ik overtraind terug, en dan zijn we ineens al in 2007, op m’n 41e. Dat weet ik niet meer hoor, hoe ik me toen voelde na zware dagen. Ik heb ergens ook wel een soort geluk als laatbloeier, want ik heb nooit meegemaakt hoe snel ik als twintiger herstelde, ik kan me voorstellen dat dat merkbaarder is. Voor zover daarover iets te zeggen is, want heel betrouwbaar is je geheugen niet voor dit soort dingen.
Uitgaand van 2007 als ijkpunt weet ik wel dat ik toen nog alleen fietste, niet hardliep, laat staan snelle intervallen over 400 meter. Hardlopen is bij mij gevoeliger voor vermoeidheid dan fietsen, dus kan ik daar niet goed mee vergelijken. En omdat ik nog nooit eerder heb getraind zoals nu, heb ik ook geen ander referentiepunt. Misschien ‘mislukken’ dat soort intervaltrainingen sowieso wel vaker? Dus misschien zegt een keer te traag zijn niks over leeftijd en gebrek aan herstel maar hoort het er gewoon bij? Over de grote lijn ging het prima, daarover binnenkort meer.
Wat er ook nog speelt: misschien kan ik vermoeidheid wel beter toelaten dan vroeger. Als ik nog langer terugga, heb ik herinneringen aan doorgaan totdat ik ziek werd. Althans, zo ging het bijvoorbeeld in 1996/1997: na de conceptversie, leescommissieversie én definitieve versie van mijn proefschrift werd ik telkens ziek, de derde keer zelfs met een heftige griep. Misschien was ik toen wel af en toe net zo moe, maar dan nam ik mezelf in de houdgreep en duwde door. Dat niet meer doen is geen teken van slecht herstel, maar van beter voor mezelf zorgen.
Dat is een van de valkuilen van concluderen dat je minder snel herstelt als je ouder wordt: leeftijd is maar één van de vele factoren die herstel beïnvloeden. Natuurlijk, leeftijd speelt een rol – het is zo’n beetje de essentie van veroudering dat je lichaam slechter wordt in zichzelf repareren. Maar tussen al die andere factoren van sport, werk en leven is het op mijn 60e niet bepalend. Ik bedoel: ik laat me niet beperken door de gedachte ‘ik ben 60 dus ik herstel minder goed’, wetende hoe belangrijk het is om een realistisch, maar optimistisch beeld te hebben van veroudering. Daar schreef ik een boek over!




Geef een reactie