In mijn eerste winter in Kapelle schreef ik hier over mijn zwembadfrustraties. Die gemoedelijke Zeeuwen leken in het zwembad te veranderen in horken die geen rekening houden met snellere zwemmers en er zelfs een uitgesproken hekel aan uiten. Het is sindsdien niet meer zo erg geweest. De Bloesem heeft nu een snelle baan, het is minder druk en ik weet beter op welke tijden ik ruimte heb.

Maar vorige week had ik toch weer een ronduit slechte ervaring. Ik ging als experiment naar het banenzwem-uur in het buitenbad van Stelleplas in Heinkenszand. Dat ken ik van 2 zwemlopen, de foto hieronder is van die in 2024. Het is een leuk bad en met het huidige weer is buiten zwemmen gewoon lekkerder dan binnen – af en toe naar het zwembad heb ik nodig voor mijn techniek.

Het buitenbad van Stelleplas onder heel andere omstandigheden: tijdens de zwemloop van 2024.

Wat bleek? Het was druk, veel drukker dan ik had verwacht. Dat er geen lijnen waren, had ik dan weer wél verwacht. Maar zo zwommen dus een heleboel mensen kriskras door elkaar, en ik zag geen ordening op snelheid of slag. Net als bij die eerdere ervaringen viel me op dat er niemand wat harder zwom – het was allemaal dobberen. Ik ben geen topzwemmer maar, zo zag ik, ik was wel twee keer zo snel als de op-een-na-snelste. Ik wist dus meteen: dit gaat ‘m niet worden.

Toch maar het beste ervan maken, ik had net € 8,10 euro betaald (oef) om binnen te komen. Dus ik van start, zo veel mogelijk al die breeduit zwaaiende schoolslagbenen vermijdend bij het inhalen en frontale botsingen voorkomend. Ik deed m’n uiterste best. Van enige vorm van zelf met m’n techniek bezig zijn was geen sprake, ik was alleen maar aan het slalommen. Ik liet zelfs mijn benen maar in de pullbuoy, scheelt gespetter. Kortom: ik was erg bezig met niet te hinderen.

Na een baantje of 6 werd ik aangesproken door een oudere vrouw in plat Zeeuws. Dat het echt niet kon zoals ik ‘als een blinde kip tekeer ging’, zoals net ‘tegen dat vrouwtje’.

Huh?

Ik heb uitgelegd dat ik de hele tijd (onder water, dus onzichtbaar, had ik erbij moeten zeggen) aan het kijken was. Dat maakte weinig indruk, ze vond het niet kunnen, dus heb ik er maar ingegooid ‘banenzwemmen is voor iedereen’. Dat snoerde haar de mond.

Net als toen in Goes wilde ik daarna eigenlijk meteen weg, ik voelde me echt ontzettend onwelkom. Maar ik ik dacht ook: ik laat me niet kisten en zwem in elk geval de kilometer uit. Dat heb ik gedaan, op hangen en wurgen; ik had niet de indruk dat de andere zwemmers ook maar enige rekening met mij hielden.

Onder de douche raakte ik in gesprek met een paar andere zwemsters die me gelukkig wel begrepen en ook nog een paar tips voor me hadden over andere tijdstippen en de beste plek (daar waar het trapje in de weg zit – uh…). Dat verzoende me weer enigszins, maar helemaal lekker weg ging ik niet. Gelukkig wachtte me nog een fietsrit naar huis, altijd goed voor mijn humeur.

Met deze ervaring nog vers in mijn geheugen las ik zaterdag de column van Arjen van Veelen in de NRC waarin hij beschrijft dat hij hardlopers graag ‘liefdevol wil tacklen’ omdat ze weerzin bij hem oproepen, walging bijna. De column zette me aan het denken. Ik herken wel een paar dingen die hij schrijft, zoals de neiging van sommige lopers om in hun eigen wereld te verdwijnen (met oordoppen op middenop het fietspad lopen), hardlopen als hip statussymbool, de nadruk op kwantificatie en het soms wat al te nadrukkelijke narcistische vertoon van afgetrainde spierbundels. Ik kan ook afgeven op de mate waarin sport een instrument is in neoliberaal kapitalisme, dat vind ik zelfs een interessante invalshoek aan de column (maar met een wel erg vooringenomen oordeel over lopers, alsof je niet anders kan lopen dan als, ik citeer, ‘heraut van het laatmodern competitief kapitalisme’).

De column heeft bovendien deels een luchtige toon, maar toch dacht ik al vanaf het begin: als je je zo stoort aan hardlopers, dan triggeren die kennelijk iets bij je. En dat geeft hij in de loop van de tekst toe:

Hardlopers laten je je slecht voelen over je lusten, je luiheid, je vetrolletjes.

Er viel een kwartje: fitheid irriteert mensen. Dat is ook wat er achter die lompheid in de zwembaden zit: dezelfde weerzin, voortkomend uit irritatie. Het gegeven dat ik als vrouw met grijs haar hard (nouja….) borstcrawl, betekent dat dat kan: een oudere vrouw kan harder zwemmen dan op dobbertempo. Dat kan confronterend zijn. Bijvoorbeeld voor andere oudere vrouwen die zichzelf heel sportief vinden omdat ze naar het zwembad gaan. Daarom is het zwembadgedrag in deze vergrijsde omgeving erger dan in het jongere Rotterdam.

Het deed me denken aan de ervaring van een tijdje terug. In kwam nieuw bij een overleggroepje waarin een bepalende vrouw van ongeveer mijn leeftijd zichzelf heel sportief vond. Ze kwam bijvoorbeeld op de fiets, vanaf ongeveer dezelfde afstand als ik. Op e-bike en alleen als het goed weer was. En toen kwam ik erbij. Ze mocht me niet, dat was duidelijk. Ik weet het niet zeker natuurlijk, maar ik denk dat ik tergend was voor haar zelfbeeld: ik kwam altijd op de fiets, ook als het slecht weer was, en ik trapte zelf. Het kon dus duidelijk veel sportiever dan zij. Dat is naar.

Ik moet bekennen dat ik me soms ook echt superieur voel, een van de dingen die Arjan van Veelen storen aan hardlopers – hun aura van deugdzaamheid. Ik schreef hierboven niet voor niets ‘dobberaars’, dat is een oordeel. En ik vind mezelf daadwerkelijk een fietser van de betere soort dan al die gemakzuchtige luiwammesen met hun suffe hulpmotortjes.

Ik geef toe: niet mijn beste eigenschap. En mogelijk voelen mensen dat aan en reageren ze er stekelig op – ze hebben dan ergens nog een punt ook.

Maar om een misverstand uit de wereld te helpen: ik sport niet zoveel omdat ik met mijn fitheid andere mensen de ogen uit wil steken. Fitheid is bijvangst van een boel plezier en van het leven zoals ik dat wil lijden. De waarde van een mens zit ‘m niet in hoe fit die is. Ik zal e-bikers of trage schoolslagzwemmers dan ook nooit tacklen, zelfs niet liefdevol. Ik vraag alleen maar om een beetje ruimte om te doen wat me dierbaar is.