Meteen de daad bij het woord gevoegd: ik heb Hardlopen als lichaamswerk gelezen. Eerlijk gezegd viel me dat niet mee. Of nouja: het leest heel makkelijk, het is interessante materie en er staan boeiende stukjes in, waaronder twee interviews met topsporters met bijzondere verhalen: Gerard Nijboer en Gregor Stam.

Maar wat me tegenvalt: ik kan er het hele boek lang maar niet de vinger op leggen wat nou precies ‘hardlopen als lichaamswerk’ is. Dat kon ik tijdens Bram Bakkers verhaal vorige week ook al niet, maar dat vond ik toen niet zo erg: het was een ‘kringgesprek’, het ging meer over hemzelf en oud zeer dan over hardlopen (prima) en ik dacht: dan moet ik het boek maar lezen. Van een boek verwacht ik grotere precisie. Ik heb zelf – denk ik – de opleiding runningtherapie 1.0 gedaan en toch zou ik nu niet kunnen zeggen wat aan 2.0 meer of anders is.

Nou beken ik meteen: ik heb last van beroepsdeformatie. Mijn redactionele vingers gingen jeuken. En nee, dat heb ik niet bij elk boek. Dit boek rammelt precies op het punt dat ik in mijn werk het interessantste vind: de rode draad. De kern ontbreekt (hoofdboodschap met omschrijving van het kernthema), de structuur is onduidelijk (het lijkt een stapel columns met een nietje erdoorheeen), inhoudelijk spreken dingen elkaar tegen, van die twee interviews ontgaat me de ‘so what’ (wat is de strekking in het licht van het boek?) en ik weet ook niet wie de beoogde lezer is. Prestatiegerichte lopers, mensen  met ‘oud zeer’ die baat kunnen hebben bij lichaamswerk, (aanstaande) begeleiders van runningtherapie? Dat lijkt per hoofdstuk te verschillen.

De inhoudelijke tegenspraak is – vind ik – niet bepaald op een onbelangrijk punt. Soms lijkt het erop dat runningtherapie alleen gaat om op gevoel hardlopen en dat dat als zodanig genoeg is voor het effect op de geest, maar er komt van alles bij, impliciet of expliciet: een lichaamsscan, ademhaling, plezier/spel, techniek, ketogeen eten (het hoofdstuk over voeding vind ik ronduit extreem), praten, en toch ook tijden van je rondjes meten en zelfs marathons lopen. In het hoofdstuk over leefstijl lijkt het hoofddoel van lopen ineens toch ‘gewoon’ behoud van gezondheid te zijn – dat is het standaard pleidooi om meer te bewegen. Sowieso is de verhandeling over doelen warrig, op p. 61 staat ronduit onzin, met zelfs een zin die met zichzelf in tegenspraak is:

Binnen de runningtherapie werken we met procesdoelen: het gaat niet om de prestatie die je levert (de score), maar om dat wat het duursporten je oplevert.

Iets wat het je ‘oplevert’ is geen procesdoel. Hier klopt iets niet, en hier ook niet:

Sportcoaches (…) bedienen zich graag van prestatiegerichte terminologie. Bij hen gaat het vooral om de ‘how’, wat zoiets is als de manier waarop je naar het resultaat toewerkt.

Die ‘how’ is nou juist wél een procesdoel, ook al is het – bijvoorbeeld – gericht op snellere tijden. (Overigens vond ik dit wel de warrigste passage van het hele boek, dus ik citeer wat dat betreft een beetje oneerlijk. Maar ik denk daarbij wel: hier had een redacteur Bakker voor moeten behoeden.)

Bakker zelf loopt de ene marathon na de andere – de door storm loodzware Kustmarathon vorige week binnen de 4,5 uur. Je maakt mij niet wijs dat dat alleen maar lukt met puur op gevoel rustig net zo lang lopen als waar je op dat moment zin in hebt. Bakker beweert alle schema’s los te hebben gelaten. Ja, denk ik dan, manlief traint voor zijn marathons ook zonder schema, dat kan hij doen omdat hij het al veertig jaar doet. Het schema zit in zijn hoofd. Zo lopen is sowieso niet voor iedereen weggelegd en voor beginners totaal niet aan de orde.

Dus: een boek met een boel interessante ideeën. Maar als je je door Bram Bakker wil laten inspireren, kun je beter naar hem gaan luisteren dan zijn boek lezen.